Rechtbank Gelderland 18-12-2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11356

Essentie (redactie)

Beide partijen verzoeken wijziging van de partneralimentatie die destijds in het echtscheidingsconvenant met behulp van een mediator is overeengekomen. In dat convenant hebben opgenomen dat de partneralimentatie alleen kan worden gewijzigd als het inkomen van de man zou wijzigen. Partijen waren zich ervan bewust dat zij mogelijk afweken van de wettelijke maatstaven en hadden in het convenant expliciet afstand gedaan van het recht om wijziging van de alimentatie te vragen. Rechtbank wijst beide verzoeken af.

Datum publicatie23-12-2025
ZaaknummerC/05/453517 / FZ RK 25-1565
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsZutphen
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenAlimentatie; Grove miskenning wettelijke maatstaven
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Partijen vragen allebei wijziging van partneralimentatie die ze ten behoeve van de vrouw in het echtscheidingsconvenant zijn overeengekomen. Dit convenant is opgesteld met behulp van een mediator. In dat convenant hebben opgenomen dat de partneralimentatie alleen kon worden gewijzigd als het inkomen van de man zou wijzigen. Bovendien hebben ze daarin afgesproken dat de partneralimentatie niet kan worden gewijzigd als wordt afgeweken va de wettelijke maatstaven. Artikel 1:401 lid 5 BW. Artikel 1:159 BW artikel 6:228 BW.

Volledige uitspraak


beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Zutphen

Zaakgegevens: C/05/453517 / FZ RK 25-1565

Datum uitspraak: 18 december 2025

beschikking wijziging alimentatie

in de zaak van

[naam man] (nader te noemen: de man),

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. K.C.G.M. Suijker te Apeldoorn,

tegen

[naam vrouw] (nader te noemen: de vrouw),

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. T. Karasu te Apeldoorn.

1Het verloop van de procedure

1.1.

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 juni 2025;

  • het verweerschrift met zelfstandige verzoeken en bijlagen, ontvangen op 22 augustus 2025;

  • het journaalbericht namens de man van 6 november 2025 met begeleidende brief van dezelfde datum en overlegging producties;

  • het journaalbericht namens de vrouw van 9 november 2025 met begeleidende brief van dezelfde datum en overlegging productie;

  • het journaalbericht namens de vrouw van 14 november 2025 met begeleidende brief van dezelfde datum houdende aanvulling van verzoeken en overlegging producties.

1.2.

Tijdens de mondelinge behandeling op 20 november 2025 zijn gehoord:

  • de man, bijgestaan door mr. Suijker;

  • de vrouw, bijgestaan door mr. Karasu.

2De feiten

2.1.

Partijen zijn op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 17 november 2022 is door de rechtbank Overijssel de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De beschikking is op 24 november 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Partijen hebben op 3 november 2022 een echtscheidingsconvenant ondertekend dat onderdeel uitmaakt van de beschikking van de rechtbank.

2.3.

In artikel 1.1 onder a. van het echtscheidingsconvenant hebben partijen afgesproken: “Rekening houdend met de behoefte en draagkracht komen partijen in onderling overleg tot de volgende partneralimentatie. De man verstrekt aan de vrouw een partneralimentatie van € 1.833,- bruto per maand, te voldoen op de eerste van de maand door bijschrijving op een door de vrouw aan te wijzen rekening.”

De bijdrage is nu € 2.073,08 per maand.

2.4.

In artikel 1.1. onder b. van het echtscheidingsconvenant staat:
“Partijen zijn zich ervan bewust dat zij hiermee mogelijk afwijken van de wettelijke maatstaven. Partijen doen over en weer afstand van het recht om wijziging van de alimentatie te vragen op grond van het feit dat de bepaling van meet af aan niet heeft voldaan aan de wettelijke maatstaven.”

2.5.

En onder e:

“Indien het inkomen en/of de draagkracht van de man als gevolg van arbeidsongeschiktheid met meer dan 10% wijzigt of indien het salaris van de man boven het DGA-salaris uitkomt, kan de alimentatie worden herberekend en kan dientengevolge de alimentatie worden aangepast.”

3De verzoeken en verweer met zelfstandige verzoeken

3.1.

De man verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de partneralimentatieverplichting van de man jegens de vrouw met ingang van 24 november 2022, althans 9 mei 2025, althans de datum van indiening verzoekschrift, althans een in goede justitie te bepalen datum, op nihil te stellen, althans te wijzigen naar een zodanig bedrag (niet hoger dan eerder vastgestelde bedragen), en met ingang van een zodanige datum, die de rechtbank op basis van de wettelijke maatstaven, en in goede justitie, juist acht;

  2. primair de vrouw te veroordelen tot terugbetaling aan de man van de partneralimentatie die de man vanaf 24 november 2022, althans een in goede justitie te bepalen datum, tot en met de datum van de door de rechtbank te wijzen beschikking aan de vrouw heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente over de bedragen die de man heeft voldaan, te rekenen vanaf de datum waarop de bedragen door de man aan de vrouw zijn betaald tot aan de dag der algehele voldoening;

althans subsidiair, indien en voor zover de rechtbank van oordeel is dat van de vrouw niet gevergd kan worden dat zij de over de periode vanaf 24 november 2022 tot en met de datum van de beschikking geïncasseerde periodieke partneralimentatie volledig dient terug te betalen, de vrouw te veroordelen tot terugbetaling aan de man van een bedrag dat de rechtbank juist acht;

3. de vrouw te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de man.

3.2.

De vrouw voert hiertegen verweer en verzoekt de rechtbank de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken dan wel zijn verzoeken af te wijzen.

3.3.

Bij wege van zelfstandige verzoeken verzoekt de vrouw de rechtbank bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de man te veroordelen tot het in het geding brengen van de jaarrekeningen van zijn BV betreffende de jaren 2020 tot en met 2024/2025 en te bepalen dat de behoefte/behoeftigheid van de vrouw, alsook de draagkracht van partijen, mede op basis van deze jaarrekeningen opnieuw dient te worden bepaald;

en bij wege van voorwaardelijk verzoek - voor zover de rechtbank oordeelt dat aan de zijde van de vrouw geen (aanvullende) behoefte was/is aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en aan haar een terugbetalingsverplichting oplegt

II. te bepalen dat hetgeen de man ten titel van partneralimentatie (te veel) aan haar heeft voldaan wordt beschouwd c.q. wordt aangemerkt als het aandeel van de man in de aflossingen op de schuld aan mevrouw [naam 1] (artikel 2.11 echtscheidingsconvenant) en op de vrouw derhalve uit hoofde van alimentatie geen terugbetalingsverplichting zal rusten en de man geen vordering op de vrouw zal hebben;

III. in alle gevallen de proceskosten te compenseren, ofwel te bepalen dat eenieder van de partijen de eigen proceskosten voldoet.

3.4.

De vrouw heeft haar zelfstandige verzoeken gewijzigd naar aanleiding van de financiële stukken die de man in het geding heeft gebracht. Zij heeft het verzoek onder I. (in het geding brengen van financiële stukken ) ingetrokken en heeft de rechtbank aanvullend (en in plaats van de verzoeken onder II en III) verzocht:

I. de bij echtscheidingsconvenant van 3 november 2022, dat deel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking van 17 november 2022 van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, onder 1.1 sub a overeengekomen alimentatiebijdrage te wijzigen en te bepalen dat de door de man met ingang van 24 november 2022 tot 1 november 2025 aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud een bedrag van € 3.498 bruto per maand zal zijn;

II. dat de man met ingang van 1 november 2025 als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, telkens bij vooruitbetaling, een bedrag van € 4.822,00 bruto per maand aan haar dient te voldoen, dan wel een zodanige bijdrage dan wel met ingang van een zodanige datum als uw rechtbank in goede justitie juist acht, doch niet lager dan de bij echtscheidingsconvenant van 3 november 2022 dat deel uitmaakt van de beschikking van 17 november 2022 van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, vastgestelde bijdrage.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna ingegaan, voor zover dat relevant is voor de beoordeling.

4De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1.

De rechtbank zal eerst beoordelen of de vrouw kan worden ontvangen in haar gewijzigde verzoeken. De man heeft hiertegen bezwaar gemaakt omdat de vrouw haar verzoeken pas op 14 november, zes dagen voor de mondelinge behandeling, heeft gewijzigd. De vrouw stelt dat de financiële stukken van de man pas op 6 november 2025 in het geding zijn gebracht. De advocaat van de vrouw heeft tijd nodig gehad om deze grote hoeveelheid stukken te bestuderen, waarna zij zo snel mogelijk daarop heeft gereageerd.

4.2.

De rechtbank overweegt dat de man op 27 juni 2025 een wijziging van de partneralimentatie heeft verzocht. De partij die een wijziging van de alimentatie verzoekt is verplicht om zijn verzoek met alle (financiële) stukken te onderbouwen. De vrouw had bij verweerschrift van 22 augustus 2025 als eerste zelfstandige verzoek verzocht om deze financiële stukken, waaronder de jaarrekeningen 2020 tot en met 2024/2025. De man heeft de relevante financiële stukken pas op 6 november 2025 in het geding gebracht, terwijl het merendeel van deze stukken al lang in zijn bezit was. Gelet op de hoeveelheid financiële stukken die de man in het geding heeft gebracht, acht de rechtbank het redelijk dat de vrouw acht dagen later een reactie op deze stukken heeft gegeven en haar verzoeken daarop heeft aangepast. Dit is weliswaar niet binnen de 10 dagen termijn uit het procesreglement, maar nog wel 6 dagen voor de mondelinge behandeling. De man is hierdoor niet in zijn procesvoering geschaad. De rechtbank zal de gewijzigde verzoeken van de vrouw dus beoordelen.

Inhoudelijk

De verzoeken van de man

4.3.

De man verzoekt de rechtbank de partneralimentatie te wijzigen op grond van primair artikel 1: 401 lid 5 BW subsidiair artikel 1: 159 lid 3 BW.

4.4.

De man heeft zijn verzoeken toegelicht met de stelling dat partijen in het echtscheidingsconvenant een partneralimentatie hebben afgesproken van € 1.000 netto, gebruteerd € 1.833 per maand. De reden dat partijen een alimentatie van € 1.000 netto per maand hebben afgesproken is gelegen in het feit dat de vrouw als gevolg van fibromyalgie ernstige bewegingsproblemen heeft en daardoor nooit meer zou kunnen verdienen dan haar toenmalige inkomen van € 6.728 per jaar (2020). Tijdens het huwelijk ontving de vrouw maandelijks € 1.000 netto leefgeld van de man. Samen was dit voor de vrouw voldoende om van te leven. De man is er later achter gekomen dat de vrouw binnen een maand na het ondertekenen van het convenant een baan heeft gekregen, voor welke baan ze in mei 2022 al had gesolliciteerd. De man stelt dat hij de afspraak omtrent de partneralimentatie nooit had gemaakt indien hij had geweten dat de vrouw die baan in het vooruitzicht had. De vrouw heeft de baan bewust verzwegen. Als de man dit had geweten had hij ook niet alle huwelijkse schulden op zich genomen en een auto aan de vrouw om niet ter beschikking gesteld. Op de mondelinge behandeling heeft de man aanvullend opgemerkt dat hij de overeenkomst over de partneralimentatie onder invloed van dwaling heeft gesloten.

4.5.

De vrouw voert hiertegen aan dat de afspraak over de partneralimentatie bij de mediator al in mei 2022 is gemaakt. De vrouw betwist de stelling dat zij arbeidsongeschikt was in verband met de aandoening fibromyalgie. Weliswaar was er sprake van fibromyalgie, maar de vrouw werkte desondanks 12 uur in de week. Zij verdiende daarmee niet € 6.728 zoals de man stelt, maar € 9.533 per jaar. In de rapportage/het gespreksverslag van de mediator staat ook geen enkele opmerking over arbeidsongeschiktheid van de vrouw of het feit dat de vrouw wegens haar aandoening niet in staat is/zal zijn om arbeidswerkzaamheden te verrichten. De afspraak over de alimentatie was enkel gebaseerd op het feit dat de man haar jarenlang € 1.000 netto per maand huishoudgeld had gegeven en niet op de gemaakte alimentatieberekeningen door de mediator. Bovendien stelt de vrouw dat zij niets bewust heeft verzwegen. De vrouw had op aanraden van haar zus in mei 2022 een brief geschreven om te solliciteren op een baan voor 20 uur bij de [naam werkgever] en heeft toen ook een gesprek gehad, maar zij had daarna niets meer gehoord. De vrouw had er totaal niet op gerekend dat zij die baan zou krijgen, mede vanwege het feit dat er bij het bedrijf van de man FIOD invallen waren gedaan. Zij dacht niet dat zij door de screening zou komen. Zij heeft destijds gesolliciteerd na het maken van de alimentatieafspraak omdat zij had berekend dat haar toenmalige inkomen vermeerderd met de overeengekomen alimentatie niet voldoende zou zijn om van te leven. Pas eind november 2022 hoorde de vrouw dat zij de baan had gekregen. In verband met het vertrek van een andere medewerker kon zij haar functie uitbreiden naar 32 uur per week. De vrouw stelt verder dat – afgezien van het feit dat er tijdens de onderhandelingen niets speelde – zij de man ook niet op de hoogte hoefde te brengen. Onder artikel 1.1. sub e van het convenant is immers overeengekomen dat de alimentatie alleen kan worden gewijzigd als het inkomen of de draagkracht van de man wijzigt. Een wijziging aan de zijde van de vrouw is dus niet relevant. De vrouw betwist verder dat de man de huwelijkse schulden op zich heeft genomen. De auto die de man aan haar ter beschikking heeft gesteld, was een auto van ruim 25 jaar oud die slecht was onderhouden. In november 2024 heeft de vrouw de auto daarom — mede uit veiligheidsoverwegingen — aan de man teruggegeven.

Conclusie

4.6.

De rechtbank wijst het verzoek van de man af op grond van de volgende overwegingen.

Artikel 1: 401 lid 5 BW: grove miskenning wettelijke maatstaven

4.7.

Op grond van dit artikel kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud worden gewijzigd indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Hiermee wordt bedoeld dat, uitgaande van dezelfde gegevens, er geen duidelijke wanverhouding mag bestaan tussen de partnerbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Dit betreft gevallen waarin partijen onopzettelijk door onjuist inzicht of onjuiste gegevens van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken.

4.8.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat partijen zich na hun uiteengaan gezamenlijk hebben gewend tot een mediator en dat door deze mediator berekeningen zijn opgesteld op basis van de toenmalige inkomens van partijen. Partijen zijn vervolgens uitdrukkelijk van deze berekeningen afgeweken. In het echtscheidingsconvenant staat uitdrukkelijk vermeld dat partijen zich ervan bewust zijn dat zij met een partneralimentatie van € 1.833 bruto per maand mogelijk afwijken van de wettelijke maatstaven. Beide partijen stellen dat deze afspraak in feite was gebaseerd op het huishoudgeld dat de man jarenlang aan de vrouw heeft betaald.

4.9.

De rechtbank oordeelt dan ook dat partijen kennelijk niet de wettelijke maatstaven voor ogen hebben gehad, maar welbewust een eigen regeling hebben willen treffen. Het beroep op artikel 1: 401 lid 5 BW slaagt dan ook niet.

Artikel 1: 159 lid 3 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar man aan bewuste afwijking te houden

4.10.

In artikel 1.1. sub b van het echtscheidingsconvenant doen partijen vervolgens over en weer afstand van het recht om wijziging van de alimentatie te vragen op grond van het feit dat de bepaling van meet af aan niet heeft voldaan aan de wettelijke maatstaven. De man stelt subsidiair dat er sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat hij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan de alimentatieafspraak kan worden gehouden (artikel 1:159 lid 3 BW) . Het wijzigen van het inkomen van de vrouw is volgens hem zo’n ingrijpende wijziging van omstandigheden.

4.11.

De rechtbank overweegt dat het op de weg van de man ligt om dit beroep op artikel 1: 159 lid 3 BW nader te onderbouwen. De man heeft tegenover de betwisting door de vrouw onvoldoende onderbouwd dat uitgangspunt is geweest dat de vrouw nooit meer zou kunnen verdienen dan haar inkomen van destijds. Omdat partijen alleen hebben afgesproken dat de alimentatie kon worden gewijzigd als het inkomen of de draagkracht van de man zou wijzigen lijkt het er eerder op dat een inkomenswijziging aan de zijde van de vrouw niet relevant werd geacht. Althans, zonder nadere uitleg en onderbouwing van de man, slaagt de stelling van de man dat hij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aan de alimentatieafspraak kan worden gehouden naar het oordeel van de rechtbank niet.

4.12.

Een overeenkomst die is tot stand gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, is volgens artikel 6: 228 BW vernietigbaar, onder meer indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten of indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden. De vernietiging kan niet worden gegrond op een dwaling die een uitsluitend toekomstige omstandigheid betreft of die in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende behoort te blijven.

4.13.

De rechtbank overweegt dat dwaling een vernietigingsgrond biedt. Vereist hierbij is dat bij het sluiten van de overeenkomst een juiste voorstelling van zaken ontbrak. Daarnaast dient er sprake te zijn van een causaal verband. Hiervoor is niet vereist dat iemand bij een juiste voorstelling van zaken überhaupt geen overeenkomst had gesloten, maar dat hij niet op deze voorwaarden overgegaan was tot contractsluiting. Ook kent de wet zoiets als het kenbaarheidsvereiste. Het moet voor de wederpartij wel duidelijk zijn geweest dat hetgeen waarover is gedwaald essentieel was voor de ander. De eigenschappen waarover gedwaald is waren voor de dwalende belangrijk voor het sluiten van de overeenkomst en dat moet voor de wederpartij duidelijk zijn geweest. De man stelt dat hij er van uit ging dat de vrouw al wist dat zij een baan zou aanvaarden ten tijde van de ondertekening van het echtscheidingsconvenant en het maken van de afspraak van € 1.833 bruto per maand maar dat zij heeft nagelaten dit aan de man te melden dan wel dit bewust heeft verzwegen. De vrouw heeft gemotiveerd gesteld dat zij in mei 2022 heeft gesolliciteerd na het maken van de alimentatie afspraak en de baan pas aangeboden heeft gekregen na het ondertekenen van het convenant. De rechtbank overweegt dan ook dat – als de man al zou hebben gedwaald in de zin van artikel 6: 228 BW, hij gedwaald heeft over een toekomstige omstandigheid.

4.14.

De man heeft verder gesteld dat hij er op geen enkel moment van uit is gegaan of erbij stil heeft gestaan dat de financiële situatie van de vrouw zou (kunnen) veranderen doordat zij een baan zou aanvaarden. Dit is alleen rechtens relevant indien en voor zover deze veronderstelling voor de vrouw kenbaar was. Gelet op de betwisting daarvan door de vrouw had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van de man gelegen te stellen dat en te onderbouwen hoe deze veronderstelling voor de vrouw kenbaar was. Het volgt namelijk niet uit het gespreksverslag van de mediator en /of de tekst van het echtscheidingsconvenant. Het feit dat partijen hebben afgesproken dat de partneralimentatie alleen (onder voorwaarden) kan worden gewijzigd als het inkomen van de man wijzigt, is eveneens een aanwijzing dat het inkomen van de vrouw niet essentieel was voor de bepaling van de hoogte van de alimentatie.

4.15.

Tot slot overweegt de rechtbank dat de man de overeenkomst niet heeft vernietigd wegens dwaling. Integendeel: hij verzoekt wijziging van de overeenkomst, hetgeen impliceert dat de overeenkomt naar zijn mening (nog steeds) rechtsgeldig is.

De verzoeken van de vrouw

4.16.

De vrouw verzoekt eveneens de rechtbank om de alimentatie uit het echtscheidingsconvenant te wijzigen en te bepalen dat de door de man met ingang van 24 november 2022 tot 1 november 2025 aan haar te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud een bedrag van € 3.498 bruto per maand zal zijn en met ingang van 1 november 2025 een bedrag van € 4.822,00 bruto per maand.

4.17.

De vrouw beroept zich eveneens op artikel 1: 401 lid 5 BW. Tijdens de mondelinge behandeling vult zij aan dat zij zich op dwaling beroept. Zij onderbouwt deze beroepen met de stelling dat het inkomen van de man in 2022 veel hoger was dan waar partijen bij de onderhandelingen van zijn uitgegaan. Er is namelijk geen rekening gehouden met de reguliere privé opnames uit de BV. De man keerde zich bovendien een aanzienlijk lager salaris uit dan het voor een DGA vastgesteld minimumloon. De privé opnames waren en zijn volgens de vrouw een indicatie van de levensstandaard van partijen tijdens het huwelijk, ofwel van belang voor het bepalen van de behoefte van partijen. De behoefte van de vrouw was dan ook veel hoger dan waar partijen van uit zijn uitgegaan.

4.18.

De man betwist dat zijn inkomen hoger was dan waar partijen van zijn uitgegaan. Sterker nog: volgens de man is bij het maken van de alimentatie afspraak uitgegaan van een te hoog inkomen. Zijn BV kampt al jarenlang met verlies.

Conclusie

4.19.

De rechtbank wijst de verzoeken van de vrouw af op grond van de volgende overwegingen.

Artikel 1: 401 lid 5 BW: grove miskenning wettelijke maatstaven

4.20.

Zoals hierboven is overwogen blijkt uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting dat partijen zich na hun uiteengaan gezamenlijk hebben gewend tot een mediator en dat door deze mediator berekeningen zijn opgesteld op basis van de toenmalige inkomens van partijen. Partijen zijn vervolgens uitdrukkelijk van deze berekeningen afgeweken. Beide partijen stellen dat de alimentatie afspraak in feite was gebaseerd op het huishoudgeld dat de man jarenlang aan de vrouw heeft betaald.

4.21.

De rechtbank overweegt dat uit het gespreksverslag van de mediator blijkt dat in april 2022 met partijen is besproken dat de man een salaris geniet vanuit zijn BV, maar dat er daarnaast extra privé-opname in rekening courant (in 2021 € 53.063) zijn gedaan. Ook staat expliciet gemeld dat er nog een schuld is van de BV aan de man privé, waarop door extra opnames op wordt ingelopen. Vervolgens zijn partijen uitdrukkelijk in artikel 1.1 sub b met elkaar overeen gekomen dat zij over en weer afstand doen van het recht om wijziging van de alimentatie te vragen op grond van het feit dat de bepaling van meet af aan niet heeft voldaan aan de wettelijke maatstaven.

4.22.

Daar komt nog bij dat de vrouw op de mondelinge behandeling heeft verklaard dat er tijdens het huwelijk nooit sprake was van een geldtekort omdat alle etentjes, kleding en de auto’s werden betaald van de rekening (courant) van de besloten vennootschap. Hiermee geeft zij naar het oordeel van de rechtbank aan dat zij wist dat er meer geld beschikbaar was dan alleen het DGA salaris van de man.

4.23.

De rechtbank oordeelt dan ook dat partijen kennelijk niet de wettelijke maatstaven voor ogen hebben gehad, maar welbewust een eigen regeling hebben willen treffen. Het beroep van de vrouw op artikel 1: 401 lid 5 BW slaagt dan ook niet.

4.24.

De rechtbank wijst ook het beroep van de vrouw op dwaling af. De rechtbank overweegt daarbij dat als de vrouw al zou hebben gedwaald, dit voor haar eigen rekening en risico dient te blijven. De mediator heeft immers berekeningen gemaakt, op basis van het salaris van de man, waarbij uitdrukkelijk is vermeld dat de man hiernaast extra privé opnames heeft gedaan. Uit haar eigen verklaring op de mondelinge behandeling blijkt dat de vrouw wist dat er meer geld was dan alleen het DGA salaris van de man.

4.25.

Ook aan de overige vereisten van dwaling (causaal verband, kenbaarheidsvereiste) is niet voldaan, althans daartoe wordt onvoldoende door de vrouw gesteld.

4.26.

Tot slot overweegt de rechtbank dat ook de vrouw de overeenkomst niet heeft vernietigd wegens dwaling. Integendeel: zij vraagt wijziging van de overeenkomst, hetgeen betekent dat de overeenkomt naar haar mening (nog steeds) rechtsgeldig is.

Proceskosten

4.27.

Omdat beide partijen in het ongelijk zijn gesteld, is er voor een proceskosten-veroordeling geen plaats.

5De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de verzoeken over en weer af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.E. Grosscurt, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. D.S. Sweerman als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733