Essentie (redactie)
Vaststelling kinderalimentatie samengesteld gezin. De (advocaten van) partijen hebben erop gewezen dat de rechtspraak op dit gebied wisselt en zij hebben de rechtbank verzocht om een duidelijke keuze en uitleg. De rechtbank geeft hieraan gehoor, maar zal daarbij ook de gebruikelijke stappen bij het bepalen van alimentatie zo veel mogelijk volgen. Rechtbank sluit zich aan bij de methode waarbij de draagkracht van de man in 2 gezinnen volledig wordt meegeteld zonder dat zijn totale bijdrage zijn totale draagkracht overstijgt.| Datum publicatie | 23-12-2025 |
| Zaaknummer | C/05/452720 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Arnhem |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Alimentatie; Samengestelde gezinnen |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Wijziging kinderalimentatie. Samengestelde gezinnen. Rechtbank werkt drie mogelijke methodes uit en kiest in de gegeven omstandigheden voor de hoogste uitkomst.Volledige uitspraak
Familierecht
Zaaknummer: C/05/452720 / FA RK 25-1959
beschikking over kinderalimentatie van 11 december 2025
in de zaak van:
[naam vrouw] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. I.M.H. Bloemen in Nijmegen,
e n
[naam man] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. F. Zoer in Meppel.
1De procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
-
het verzoekschrift van de vrouw met bijlagen, binnengekomen op 10 juni 2025;
-
het verweerschrift van de man met zelfstandig verzoek en met bijlagen;
-
het verweerschrift van de vrouw op het zelfstandige verzoek van de man, met bijlagen;
-
het F9-formulier van 5 november 2025 van mr. Zoer met bijlagen;
-
het F9-formulier van 10 november 2025 van mr. Bloemen met bijlagen.
Het verzoek en verweer zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van
20 november 2025. Hiervan zijn aantekeningen gemaakt. Tijdens deze behandeling zijn partijen gehoord, bijgestaan door hun advocaat. De door mr. Zoer overgelegde berekeningen zijn toegevoegd aan het dossier.
2Waar gaat het over?
De man en de vrouw zijn de ouders van [kind 1], geboren op [geboortedatum] .
[kind 1] staat ingeschreven op het adres van de vrouw.
Na hun uiteengaan hebben partijen een ouderschapsplan opgesteld. Hierin hebben zij onder meer afgesproken dat de man voor de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] maandelijks € 50 aan de vrouw betaalt. Verder hebben zij afgesproken dat ze jaarlijks inkomensgegevens uitwisselen waarna dit bedrag opnieuw zal worden berekend.
Het ouderschapsplan is gehecht aan de beschikking van deze rechtbank van 3 augustus 2020. Bij beschikking van deze rechtbank van 8 december 2021 is het ouderschapsplan gewijzigd in die zin dat de man met ingang van 1 november 2021 een bedrag van € 200 per maand zal betalen. Daarbij heeft de rechtbank uitdrukkelijk verwezen naar de aan de beschikking gehechte berekening en verstaan dat partijen dat de juiste berekening achten, met dien verstande dat in die berekening nog een aftrekpost voor de man van € 36 per maand diende te worden opgenomen in verband met het feit dat de man het halen en brengen van [kind 1] altijd voor zijn rekening neemt.
In 2024 hebben partijen een herberekening laten uitvoeren door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) waaruit een draagkracht van de man volgde van € 822 en een te betalen kinderalimentatie van € 427 per maand.
De man heeft een relatie met [naam partner] (hierna: [naam partner] ). Zij wonen samen en hebben samen een kind, [kind 2] , geboren op [geboortedatum] . [naam partner] heeft twee kinderen uit een eerdere relatie: [kind 3] en [kind 4] . [naam partner] en de vader van [kind 3] en [kind 4] delen de zorg bij helfte. [kind 3] staat bij [naam partner] ingeschreven, [kind 4] bij haar vader.
De vrouw heeft een kind uit een eerdere relatie, [kind 5] . Hij heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
3De verzoeken
De vrouw verzoekt (samengevat) de rechtbank om de beschikking van 8 december 2021 en artikel 6 lid 1 van het ouderschapsplan te wijzigen, in die zin dat de door de man aan vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] wordt vastgesteld op de volgende bedragen:
-
€ 398 per maand met ingang van 1 januari 2022;
-
€ 439 per maand met ingang van 1 januari 2023;
-
€ 444 per maand met ingang van 1 januari 2024;
-
€ 463 per maand met ingang van 1 januari 2025.
Volgens de vrouw zijn de omstandigheden gewijzigd en is de man meer gaan verdienen, waardoor hij meer kinderalimentatie betalen.
De man is het niet eens met het verzoek. Hij vraagt de rechtbank om het verzoek van de vrouw af te wijzen. Het vraagt zelfstandig om de kinderalimentatie vast te stellen op een bedrag van € 115 per maand. Hij stelt dat hij de eerder vastgestelde bijdrage niet meer kan betalen, met name als gevolg van de geboorte van [kind 2] .
4De beoordeling
De rechtbank zal hierna beslissen over de hoogte van de kinderalimentatie die de man moet betalen. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
Het belangrijkste geschilpunt is de vraag hoe moet worden omgegaan met het feit dat er verschillende kinderen zijn voor wie verschillende ouders onderhoudsplichtig zijn. Er is sprake van samengestelde gezinnen. Partijen - en met name hun advocaten - hebben erop gewezen dat de rechtspraak op dit gebied wisselt en zij hebben de rechtbank verzocht om een duidelijke keuze en uitleg. De rechtbank zal daaraan gehoor geven maar daarbij ook de gebruikelijke stappen bij het bepalen van alimentatie zo veel mogelijk volgen.
wijziging van omstandigheden en ingangsdatum
De rechtbank kan de alimentatie opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd. Dit kan een (wezenlijke) wijziging van het inkomen van een van de ouders zijn, maar ook een feitelijke verandering, zoals in dit geval de geboorte van [kind 2] . Er is dus in elk geval per 27 maart 2024 een relevante wijziging van omstandigheden.
De vrouw vraagt echter vanaf 2022 voor ieder jaar een nieuw bedrag, maar het is niet duidelijk of er ieder jaar een wijziging van omstandigheden is geweest. Een algemene loonsverhoging die in de buurt komt van de inflatie leidt gewoonlijk niet tot een relevante wijziging van omstandigheden, omdat hiervoor het instrument van wettelijke indexering bestaat: de verschuldigde alimentatie wordt elk jaar op grond van de wet verhoogd met een percentage dat samenhangt met de inflatie. Extra loonsverhogingen kunnen wel een relevante wijziging van omstandigheden opleveren. De man heeft geen inkomensgegevens over 2022 en 2023 overgelegd, terwijl zijn inkomen in 2024 duidelijk hoger is dan het inkomen waarmee in 2021 is gerekend. Dit verschil is groter dan de inflatiecorrectie, maar niet duidelijk is hoe dat verschil is ontstaan.
Partijen hebben in dit licht tijdens de mondelinge behandeling afspraken gemaakt over de kinderalimentatie over de jaren 2022, 2023 en 2024. Over 2022 blijft de kinderalimentatie ongewijzigd, over 2023 zal de man € 1.080 nabetalen en over 2024 geldt weer de feitelijk betaalde bijdrage, gebaseerd op de beschikking van 8 december 2021. Over 2025 hebben zij een uitspraak van de rechtbank gevraagd. Gelet op het feit dat er in elk geval in 2025 ten opzichte van 2021 omstandigheden zijn gewijzigd, zal de rechtbank de kinderalimentatie per 1 januari 2025 opnieuw vaststellen.
de behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst bepaald wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de behoefte van het kind genoemd. De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het gezinsinkomen. Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij uitgeven aan hun kinderen. Verder wordt rekening gehouden met het aantal kinderen dat tot het gezin behoort. Als er meer kinderen tot een gezin behoren, wordt er in totaal meer aan de kinderen besteed, maar het bedrag per kind wordt lager. Om te bepalen welk gedeelte van het gezinsinkomen ongeveer aan de kinderen wordt uitgegeven en wat dus de behoefte van de kinderen is maakt de rechtbank gebruik van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld.
In het ouderschapsplan hebben partijen de behoefte van [kind 1] niet vastgelegd. Partijen zijn het er echter over eens dat zijn behoefte in 2025 € 615 per maand bedraagt.
De rechtbank zal ook de behoefte van de andere kinderen die relevant zijn voor de berekening zo mogelijk moeten vaststellen. De man heeft aangevoerd dat de behoefte van [kind 3] en [kind 4] € 667 per kind per maand bedraagt. De rechtbank ziet aanleiding aan te sluiten bij dit bedrag, gelet op de berekening die de man heeft overgelegd. De man is ervan uitgegaan dat de helft van de kosten (dus voor beide kinderen samen € 667 per maand) voor rekening van [naam partner] komt. De rechtbank begrijpt hieruit dat [naam partner] en de vader van [kind 3] en [kind 4] over en weer niets aan de ander betalen en elk de eigen verblijfskosten en de verblijfsoverstijgende kosten voor het bij hem of haar ingeschreven kind dragen.
De man stelt de behoefte van [kind 2] op € 1.289 per maand (inclusief kosten van de kinderopvang). De vrouw heeft dit bedrag gemotiveerd betwist. Ook de rechtbank komt tot een lagere behoefte. [kind 2] behoort tot het gezin van de man en [naam partner] . De man heeft berekend dat het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van hen beiden € 5.765 per maand bedraagt. De man heeft naar de rechtbank begrijpt vervolgens de tabel voor één kind gebruikt. Gelet op het feit dat [kind 3] en [kind 4] ook de helft van de tijd deel uitmaken van het gezin van de man en [naam partner] , heeft hun gezinsinkomen van meet af aan verdeeld moeten worden over meer kinderen. In de gegeven omstandigheden ligt het daarom meer voor de hand de tabel te gebruiken die geldt voor twee
1 kinderen. Uit die tabel volgt dat ouders bij een gezinsinkomen van € 5.765 gemiddeld € 1.326 per maand uitgeven voor hun kinderen, dus per kind € 663. De rechtbank sluit aan bij dat bedrag. Vervolgens is in geschil of en in hoeverre met de kosten van kinderopvang moet worden gerekend. De netto bijdrage die de man en [naam partner] moeten betalen is € 340 per maand. Volgens het Rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie kunnen kosten van kinderopvang zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten en wordt er in dat geval met die kosten afzonderlijk rekening gehouden. Omdat het bedrag van € 340 meer dan de helft van de totale tabelbehoefte bedraagt, ziet de rechtbank hier aanleiding om te concluderen dat in elk geval geen volledige compensatie mogelijk is. Omdat uit onderzoek van het CBS (zoals is benoemd in het Rapport Alimentatienormen) blijkt dat in veel gevallen compensatie wel plaatsvindt
2, zal de rechtbank in redelijkheid de helft van het bedrag, oftewel € 170, als behoefteverhogend aanmerken. Dat betekent dat de totale behoefte van [kind 2] waarin de ouders moeten voorzien € 663 + € 170 = € 833 bedraagt.
De vrouw heeft de behoefte van [kind 5] onbestreden gesteld op € 455 per maand. De vader van [kind 5] draagt hierin € 250 per maand bij.
de draagkracht van de ouders
Vervolgens moet worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de draagkracht genoemd. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Bij die methode kijkt de rechtbank naar wat er van het inkomen van een ouder overblijft nadat de noodzakelijke lasten zijn betaald. Aan de inkomstenkant rekent de rechtbank met het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van een ouder. Aan de uitgavenkant rekent zij gewoonlijk met een woonbudget van 30% van het NBI en een forfaitair bedrag voor vaste lasten. Daarnaast kan de rechtbank ook rekening houden met eventuele overige lasten. Die lasten moeten dan niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn. Het NBI verminderd met de lasten leidt tot de draagkrachtruimte. Daarvan is 70% beschikbaar voor de kinderen. In een formule ziet die berekening er als volgt uit: 70% x (NBI - 0,3 x NBI - 1.310). Bij een netto inkomen dat lager is dan € 2.125 per maand is een draagkrachttabel van toepassing.
de draagkracht van de man
Uit de salarisspecificaties van de man volgt dat zijn inkomen tot voor kort € 2.541,60 per vier weken bedroeg. Daarbij is uitgegaan van een werkweek van 30 uren. Pas op de laatste salarisspecificatie is een salaris van € 2.711,04 vermeld bij 32 uren, de specificatie daarvoor sluit in totaal ook op dat bedrag zij het dat 30 uren als salaris en 2 uren per week als ziekengeld zijn uitbetaald. Omdat de rechtbank de kinderalimentatie vaststelt per 1 januari 2025, zal zij van het inkomen op dat moment uitgaan. Partijen hebben immers al voorzien in een afspraak dat per jaar bekeken wordt of er een relevante wijziging is. De man is van mening dat hij niet meer aan die afspraak is gebonden, omdat daarna de beschikking van 8 december 2021 is gevolgd, maar de rechtbank leest die beschikking zo dat alleen de bedragen zijn gewijzigd, en dat het ouderschapsplan voor het overige in stand is gebleven. Als de man een wijziging wil van de afspraak dat elk jaar een nieuwe beoordeling plaatsvindt op basis van de laatste stukken, zal hij hierover met de vrouw een nieuwe afspraak moeten maken.
Voor het overige is de berekening van het NBI van de man tussen partijen niet in geschil. De man heeft dit berekend op € 2.849. De rechtbank gaat uit van dit bedrag.
Hierna zal blijken dat er in totaal een tekort aan draagkracht is. De man stemt ermee in dat in plaats van met 30% woonlasten rekening wordt gehouden met een werkelijke woonlast van € 609 per maand. De vrouw heeft dit gevolgd. Daarvan uitgaand bedraagt de draagkracht van de man € 651 per maand
3 voor twee kinderen. De vraag is of de man hierbij nog rekening mag houden met de reiskosten voor het halen en brengen van [kind 1] , en zo ja of moet worden uitgegaan van het bedrag van € 36 per maand of van een geïndexeerd bedrag van € 40 per maand. De rechtbank zal dit aan het eind afzonderlijk bespreken. Als het beschikbare bedrag van € 651 eenvoudig wordt gedeeld door 2, heeft de man voor [kind 1] € 325,50 beschikbaar. Bij een verdeling van zijn draagkracht evenredig naar de behoefte is zijn draagkracht voor [kind 1] € 276,50
4.
de draagkracht van de vrouw
Het inkomen van de vrouw staat niet ter discussie. De vrouw heeft op basis van de draagkrachttabel haar draagkracht voor [kind 1] vastgesteld op € 25 per maand (€ 50 voor twee kinderen, welk bedrag zij gelijkelijk heeft verdeeld over [kind 5] en [kind 1] ). De man wijst erop dat uit de berekening van het LBIO volgt dat de draagkracht van de vrouw € 116 per maand is (voor twee kinderen). Verder is hij van mening dat ook bij de vrouw rekening moet worden gehouden met haar werkelijke woonlast, wat de vrouw bestrijdt. De rechtbank stelt vast dat de vrouw slechts het kindgebonden budget voor één kind heeft opgenomen. Daarom zal zij zelf een herberekening maken. Hieruit volgt dat het NBI van de vrouw, uitgaande van een bruto maandinkomen van € 1.570,13, 8% vakantietoeslag en kindgebonden budget voor twee kinderen, € 2.104 per maand bedraagt.
5
De rechtbank is het met de vrouw eens dat er geen reden is aan haar kant met haar werkelijke woonlast te rekenen in plaats van met een forfaitair percentage. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 16 april 2021
6 overwogen dat op zichzelf het hanteren van een forfaitaire woonlast niet in strijd is met de wettelijke maatstaven. De rechter zal bij een tekort echter moeten nagaan of het in acht nemen van de werkelijke woonlast leidt tot een hogere bijdrage. Rekening houden met een lagere woonlast bij de vrouw kan echter niet leiden tot een hogere bijdrage van de man in de kosten van [kind 1] . Alleen al om die reden is de jurisprudentie van de Hoge Raad niet van toepassing als het gaat om de woonlast van de onderhoudsgerechtigde ouder. Daar komt bij dat het NBI van de vrouw lager is dan het minimumbedrag waarbij met de formule wordt gerekend. In de kern wordt ook bij de bepaling van het tabelbedrag wel gekeken naar een woonbudget, maar het woonbudget en de noodzakelijke overige lasten die in mindering worden gebracht, zijn daarbij al beperkter dan in de formule. Dat betekent dat er weinig ruimte over is. Ook dat kan een reden zijn de jurisprudentie van de Hoge Raad niet zonder meer toe te passen bij een dergelijk laag inkomen.
Op grond van de draagkrachttabel is de draagkracht van de vrouw € 117 per maand voor twee kinderen. Bij een gelijke verdeling is dat € 58,50 per kind per maand, evenredig verdeeld naar rato van de behoefte heeft de vrouw voor [kind 1] € 67 beschikbaar.
7
de draagkracht van [naam partner]
Gelet op de hiervoor gemaakte berekeningen hebben de ouders samen te weinig om in de behoefte van [kind 1] van € 165 te voorzien. Daarom zal de rechtbank in de beoordeling betrekken of de man minder voor [kind 2] kan bijdragen, zodat hij meer voor [kind 1] overhoudt. Daarvoor is het nodig vast te stellen wat [naam partner] voor [kind 2] kan bijdragen.
De man heeft een draagkrachtberekening voor [naam partner] gemaakt en daarna nadere stukken overgelegd, maar zijn draagkrachtberekening niet aangepast. De vrouw heeft haar draagkrachtberekening gebaseerd op de laatste stukken. Deze berekening komt de rechtbank juist voor en leidt tot een NBI van € 3.180. Op basis van de formule en wederom rekening houdend met de werkelijke woonlast van € 609 per maand is haar draagkracht daarmee € 882 per maand voor drie kinderen.
8
verdeling van de draagkracht
Van de vader van [kind 5] en van de vader van [kind 3] en [kind 4] zijn geen inkomensgegevens bekend. Daarom zal de rechtbank uitgaan van de feitelijke situatie waarin de vader van [kind 5] € 250 per maand bijdraagt en de vader van [kind 3] en [kind 4] in natura € 667 per maand voor zijn rekening neemt. Dat betekent dat er voor de vijf kinderen in totaal € 2.320 nodig is
9, terwijl de moeder, de vader en [naam partner] samen € 1.650 beschikbaar hebben.
10 In beide gezinnen is er een tekort.
De eenvoudigste methode zou zijn om de draagkracht van de man evenredig te verdelen over [kind 2] en [kind 1] zonder verder naar het aandeel van [naam partner] te kijken. In dit geval lijkt dat eerlijk, omdat [naam partner] en de man samen tekortkomen voor [kind 2] en de man en de vrouw samen tekortkomen voor [kind 1] . Als verder niet naar de grootte van het tekort wordt gekeken, heeft dat echter als nadeel dat het risico bestaat dat een van beide kinderen van de man veel meer tekort komt dan de ander. Dat is de reden om gewoonlijk de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen in de beoordeling te betrekken. Toch zal de rechtbank eerst vaststellen wat de uitkomst van deze eenvoudige methode is.
Hiervoor heeft de rechtbank al uitgerekend dat bij een evenredige verdeling van het bedrag van € 651 over [kind 2] en [kind 1] op basis van hun behoefte de man € 276,50 van de kosten van [kind 1] voor zijn rekening zou moeten nemen. De vrouw draagt voor [kind 1] € 67, zoals de rechtbank hiervoor ook al heeft uitgerekend, wat zou betekenen dat van de totale behoefte van [kind 1] van € 615 slechts € 343 kan worden ingevuld.
Voor [kind 2] zou de man dan € 375 overhouden. [naam partner] heeft een totale draagkracht van € 882. Bij een evenredige verdeling over haar drie kinderen naar rato van de behoefte zou zij voor [kind 2] € 339 kunnen bijdragen.
11 In de behoefte van [kind 2] van € 833 wordt dan voorzien voor in totaal € 714. Dat betekent dat het tekort bij [kind 2] een stuk kleiner is dan dat bij [kind 1] . Dit acht de rechtbank niet redelijk. Daarom zal zij een andere verdeling bepalen.
In het verleden heeft de rechtbank er wel voor gekozen om simpelweg de bijdragen van de andere ouders af te trekken van de behoefte om vervolgens de draagkracht evenredig te verdelen over de resterende behoefte. Dat betekent dus dat bij [kind 1] na aftrek van het aandeel van de vrouw van € 67 nog € 548 behoefte resteert waarin de man moet voorzien en dat bij [kind 2] na aftrek van de bijdrage van [naam partner] van € 339 nog € 594 behoefte resteert waarin de man moet voorzien. Als de draagkracht in die verhouding wordt verdeeld, is het aandeel van de man in de kosten van [kind 1] € 350 per maand.
12 Dit acht de rechtbank al aanzienlijk redelijker.
Inmiddels is echter ook op landelijk niveau gesproken over de invoering van een eenvormige methode. Hoewel dit gesprek nog niet is afgerond, kiezen de meeste rechtbanken inmiddels voor een methode waarbij de draagkracht van de man in twee gezinnen volledig wordt meegeteld zonder dat zijn totale bijdrage zijn totale draagkracht overstijgt. De rechtbank zal ook die methode uitwerken.
Als enkel naar de draagkracht wordt gekeken, hebben de vrouw en de man samen € 768 beschikbaar. Daarom moeten de vrouw en de man voor [kind 1] in verhouding van hun draagkracht 117/768 en 651/768 deel van de kosten dragen. Voor de man zou dat neerkomen op € 521 per maand. Voor [kind 2] zijn de man en [naam partner] onderhoudsplichtig. Zij hebben samen een totale draagkracht van € 1.533. Daarom moet de man in verhouding met [naam partner] 651/1.533 van de kosten van [kind 2] van € 833 dragen, oftewel € 354 per maand. In totaal zou de man dan € 875 per maand kwijt zijn. Omdat zijn draagkracht maar € 651 is, wordt het bedrag van € 521 per maand voor [kind 1] evenredig verminderd tot 651/875 x € 521 = € 387 per maand.
13
In het licht van het feit dat de onderhoudsplicht voor [kind 1] het langst bestaat, acht de rechtbank het redelijk om van dit laatste bedrag van € 387 per maand uit te gaan.
zorgkorting
De man maakt op de dagen dat [kind 1] bij hem verblijft kosten voor eten en drinken, energielasten en dergelijke: de verblijfskosten. Daarmee voldoet hij deels aan zijn onderhoudsverplichting. Voor zover daartegenover een besparing in die kosten van de vrouw staat, verlaagt de rechtbank in beginsel de bijdrage van de man met een percentage van de behoefte van de kinderen: de zorgkorting. Partijen zijn het erover eens, gelet op de zorgregeling, dat die korting hier 25% zou moeten zijn. Dat is een bedrag van € 154 per maand. Maar omdat er hier een tekort aan draagkracht is, zal de rechtbank deze korting niet volledig toepassen. Als de man namelijk alle kosten die hij maakt voor [kind 1] in mindering mag brengen op de alimentatie, komt het hele tekort aan draagkracht op de schouders van de vrouw te rusten. De vrouw moet tenslotte ook kosten voor [kind 1] maken, die zij eigenlijk niet kan dragen. De totale draagkracht van partijen is € 454 terwijl de behoefte van [kind 1] € 615 is. Er is dus een tekort van € 161. Ieder van partijen moet de helft van het tekort dragen, dus een bedrag van € 81 per maand. Dit betekent dat de rechtbank slechts een zorgkorting van € 73 per maand in mindering brengt.
14 Er blijft dan een bedrag van € 314 per maand over. De rechtbank acht het wel in lijn met de eerdere afspraken van partijen dat de man hierop een bedrag van € 36 aan reiskosten brengt, zodat de te betalen kinderalimentatie zal worden bepaald op € 278 per maand. De rechtbank overweegt daarbij dat de berekening die aan de beschikking van 8 december 2021 is gehecht, sluit op € 236 per maand, terwijl de vastgestelde kinderalimentatie € 200 per maand bedraagt, wat betekent dat partijen het erover eens waren dat het bedrag niet als last in de formule wordt meegenomen maar in mindering komt op de bijdrage aan de vrouw. Omdat het hier gaat om kosten, ziet de rechtbank geen aanleiding dit bedrag automatisch te indexeren. Dat partijen daarover overeenstemming hadden, is niet gebleken.
Overige beslissingen
De man moet de kinderalimentatie vanaf nu weer steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand worden gemaakt en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later wordt betaald.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Dat wil zeggen dat de kinderalimentatie betaald moet worden, ook als er hoger beroep wordt ingesteld, zolang het gerechtshof niet anders beslist.
De man en de vrouw moeten allebei hun eigen proceskosten betalen, omdat zij elkaars ex-partners zijn.
5De beslissing
De rechtbank:
wijzigt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [kind 1] , geboren op [geboortedatum] , zoals die was vastgelegd in de beschikking van 8 december 2021 van deze rechtbank, en bepaalt dat deze kinderalimentatie vanaf 1 januari 2025 € 278 per maand bedraagt;
bepaalt dat de man deze alimentatie wat de toekomstige termijnen betreft steeds vóór de eerste van de maand vooraf moet betalen;
bepaalt dat de man over het jaar 2023 een bedrag van € 1.080 aan de vrouw zal nabetalen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat de man en de vrouw allebei hun eigen proceskosten moeten betalen;
wijst de verzoeken voor het overige af.
|
Dit is de beslissing van rechter mr. R.A. Eskes, tot stand gekomen in samenwerking met mr. E.L.E. van Gisteren, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2025 in aanwezigheid van de griffier. |
||
|
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof in Arnhem. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden. |
||
Bijlage 1: berekening van het NBI van de vrouw
|
|
|||||||
|
|
|||||||
|
43 |
Bruto uitkering andere sociale verzekeringswetten |
€ |
18.842 |
||||
|
44 |
Vakantietoeslag |
€ |
1.507 |
||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|||||||
|
|
|||||||
|
54 |
Loon voor de premies werknemersverzekeringen |
€ |
20.349 |
||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|||||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|||||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501) |
€ |
7.289 |
|||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|||||||
|
113 |
Inkomen voor aftrek inkomensheffing |
€ |
20.349 |
||||
|
114 |
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3 |
€ |
7.289 |
||||
|
115/116 |
Heffingskorting en standaard heffingskorting |
- |
€ |
3.068 |
|||
|
117 |
Verschuldigde inkomensheffing |
- |
€ |
4.221 |
|||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
Specificaties voor post: 115/116 |
|||||||
|
Algemene Heffingskorting |
€ |
3.068 |
jaar |
||||
|
Bij: Kindgebonden budget |
€ |
9.114 |
|||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|||||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
120a |
Netto besteedbaar inkomen (per maand) |
€ |
2.104 |
||||
Zowel vanuit de redenering dat alleen [kind 3] staat ingeschreven bij de man en [naam partner] , en [naam partner] voor haar de verblijfsoverstijgende kosten draagt, als vanwege het feit dat [kind 3] en [kind 4] beiden de helft van de tijd bij de man en [naam partner] verblijven en beiden dan als “half” kind kunnen meetellen.
Tijdens de mondelinge behandeling is bijvoorbeeld besproken dat er minder kosten voor eten zijn, omdat [kind 2] op de opvang ook eten krijgt.
70% x (2.849 - 609 - 1.310).
615/1448 x € 651.
Bijlage 1: berekening van het NBI van de vrouw.
615/1070 x € 117.
70% (3.180 - 609 - 1.310).
€ 205 voor [kind 5] , € 615 voor [kind 1] , € 833 voor [kind 2] en € 667 voor Rosalie en [kind 4] .
€ 651 + € 117 + € 882.
833/2.167 x € 882.
615/1.142 x € 651.
Het is de rechtbank bekend dat er nog een andere methode in omloop is, waarbij de behoeften van de kinderen - in dit geval [kind 1] en [kind 2] - worden opgeteld, de draagkracht van de onderhoudsplichtigen wordt opgeteld en de behoefte van de kinderen evenredig wordt verminderd zodat die gelijk wordt aan de gezamenlijke draagkracht. De rechtbank bespaart partijen de details hiervan maar heeft wel uitgerekend dat dit niet tot een wezenlijk andere uitkomst zou leiden.
€ 154 - € 81.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
