Datum publicatie | 29-08-2025 |
Zaaknummer | 200.348.604/01 |
Procedure | Hoger beroep |
Zittingsplaats | Den Haag |
Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
Trefwoorden | IPR familierecht; Alimentatie |
Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Kinderalimentatie. Kosten van levensonderhoud in Polen liggen 40 % lager dan in Nederland. Het hof acht het redelijk om die reden een correctie op de noodzakelijke kosten van levensonderhoud toe te passen van 40 %.Volledige uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.348.604/01
zaaknummer rechtbank : C/10/680182
rekestnummer rechtbank : FA RK 24-4234
beschikking van de meervoudige kamer van 20 augustus 2025
inzake
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. V.T.E. Kuijpers te Capelle aan den IJssel,
tegen
[de man] ,
wonende in Polen,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. B. Mor-Yazir te Utrecht.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 2 september 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna te noemen: de bestreden beschikking).
2Het geding in hoger beroep
De vrouw is op 29 november 2024 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De man heeft op 18 februari 2025 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een brief van de zijde van de vrouw van 19 december 2024 met bijlagen, ingekomen op diezelfde dag.
De mondelinge behandeling heeft op 3 juni 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
- de advocaat van de man.
De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
3. De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
Partijen hebben tot 2015 een affectieve relatie met elkaar gehad.
Partijen zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] , (hierna: [minderjarige 1] ),
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 2] ), (hierna ook: de kinderen).
De man heeft de kinderen erkend. De kinderen verblijven bij de vrouw, de vrouw heeft sinds 10 november 2021 het eenhoofdig gezag.
De vrouw heeft de Poolse nationaliteit en de man heeft de Nederlandse nationaliteit.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 14 mei 2018 heeft de rechtbank - onder meer - de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna te noemen: kinderalimentatie) met ingang van 1 juli 2018 bepaald op € 160,- per maand per kind.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 10 november 2021 heeft de rechtbank - met wijziging in zoverre van de beschikking van 14 mei 2018 - de kinderalimentatie met ingang van 14 januari 2021 tot 1 oktober 2021 bepaald op € 278,- per maand per kind en vanaf 1 oktober 2021 op € 172,- per maand per kind.
4De omvang van het geschil
Bij de bestreden (verstek) beschikking heeft de rechtbank - met wijziging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 10 november 2021 - de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2022 bepaald op nihil. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De vrouw is het hier niet mee eens. Zij verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende de eerder bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 10 november 2021 vastgestelde kinderalimentatie te wijzigen met ingang van de datum van dit beroepschrift (29 november 2024), en te bepalen op een bedrag van € 300,- per maand per kind, althans een zodanige bijdrage als het hof redelijk acht. Kosten rechtens.
De man verzoekt het verzoek van de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit af te wijzen, met bekrachtiging van de bestreden beschikking.
5De motivering van de beslissing
De vrouw voert in hoger beroep - samengevat - aan dat er in de procedure bij de rechtbank geen relevante informatie bekend is geworden die de nihil stelling van de verschuldigde bijdrage op basis van de uitspraak van 10 november 2021 rechtvaardigt. De vrouw betwist bij gebrek aan enige wetenschap omtrent het totale inkomen van de man dat de man onvoldoende draagkracht zou hebben voor het betalen van enige kinderalimentatie. Nu de man ervoor kiest om geen totale openheid van zaken te geven, houdt de vrouw het ervoor dat de man voor een hoger bedrag kan bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.
De man heeft als productie 5 een verklaring overgelegd waaruit zou moeten blijken dat hij nog steeds niet in staat zou zijn om te kunnen werken, dit als gevolg van zijn psychische aandoeningen. De vrouw stelt als eerste dat deze verklaring uit oktober 2022 kennelijk achterhaald is: de man werkt weer en geeft zelf in zijn verzoekschrift aan zich een inkomen te kunnen verwerven. De vrouw weerspreekt dat aan de betreffende verklaring uit oktober 2022 enige waarde kan worden gehecht.
De man legt een aantal documenten over waaruit kenbaar moet zijn wat de man in 2022 en 2023 heeft verdiend. De vrouw betwist de geldigheid en de inhoud van de betreffende documenten.
De man toont op geen enkele manier in zijn verzoekschrift aan dat er sprake is van schulden die door hem voldaan zouden moeten worden. De vrouw stelt dat er bovendien verwijtbaar inkomensverlies aan de zijde van de man kan worden vastgesteld.
Als de man stelt dat hij gezien zijn inkomen, zijn vaste lasten en zijn schulden niet meer in staat is om een bijdrage te kunnen betalen, wordt het in ieder geval met de inhoud en de producties van het verzoekschrift zoals dat door hem is ingediend bij de rechtbank niet onderbouwd. De vrouw stelt voorts dat de man op geen enkele wijze inzage heeft gegeven in zijn daadwerkelijke en feitelijke financiële situatie, als gevolg waarvan vooralsnog niet gesteld kan worden dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden die nopen tot een wijziging van de hoogte van de door de man verschuldigde bijdrage voor de kosten voor zijn kinderen. Indien de man alsnog met financiële gegevens komt waarmee door hem onderbouwd wordt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden die nopen tot een aanpassing van de hoogte van de door hem verschuldigde bijdrage, gebaseerd op een draagkrachtberekening waarbij ook rekening is gehouden met het feit dat de man in Polen woont waarbij, volgens de vrouw, andere uitgangspunten in acht dienen te worden genomen dan in het kader van de Nederlandse alimentatieberekening wordt gedaan, dan zal de vrouw in ieder geval nog haar inkomensgegevens overleggen. Ook die gegevens zijn dan van belang indien gekomen kan worden tot een herberekening.
De man heeft de grieven van de vrouw betwist.
Oordeel van het hof
Het hof stelt vast dat het geschil zich ter zitting heeft beperkt tot de draagkracht van de man. De behoefte van de minderjarigen, die op basis van het uiteengaan van partijen in 2015 is vastgesteld, is niet in geschil. Het hof merkt ten aanzien van de draagkracht van de man op dat de man slechts een beperkt aantal documenten heeft overgelegd waaruit kenbaar zou moeten zijn wat hij in 2022 en 2023 heeft verdiend. Draagkrachtberekeningen, aangiftes en aanslagen Inkomstenbelasting zijn niet overgelegd. Het hof heeft derhalve een beperkt inzicht in het inkomen van de man. Nu het hof niet de beschikking heeft gekregen over alle gegevens die nodig zijn om de draagkracht van de man te berekenen, zal het hof die draagkracht voor zover mogelijk schatten en daarbij rekening houden met de verklaring die voor het niet verstrekken van die gegevens is gegeven. Ook de vrouw heeft nagenoeg geen financiële stukken overgelegd. Op grond van het besprokene ter zitting en de beschikbare stukken oordeelt het hof als volgt.
De man is vanwege depressieve klachten per 31 maart 2020 werkloos geworden en ontving een WW-uitkering. Hij verblijft sinds 2021 in Polen. De man stelt dat hij in eerste instantie een tijd niet kon werken en zich heeft gericht op zijn herstel. Vervolgens heeft hij geprobeerd zijn werkzaamheden te hervatten. Ter onderbouwing van zijn verdiensten heeft de man twee jaaropgaven overgelegd van de jaren 2022 en 2023. Niet weersproken is dat op basis van de huidige wisselkoers van 65.281 PLN dit gelijk is aan ongeveer € 15.700,-. Het hof acht, mede gelet op de toelichting van de advocaat van de man ter zitting, voldoende aannemelijk dat de man door ernstige depressieve klachten een tijd niet heeft kunnen werken en dat de man uitsluitend dit inkomen in 2022 heeft verworven. In dit kader is voldoende toegelicht dat er aan de zijde van de man geen sprake is van verwijtbaar inkomstenverlies. en dat hij zijn verdiencapaciteit voldoende heeft benut. Verder is voldoende aannemelijk gemaakt dat hij geen mogelijkheden heeft om op korte termijn terug te keren naar Nederland om hier een hoger inkomen te verdienen of om op een andere manier zijn economische positie te versterken. In dit licht bezien, berekent het hof het netto besteedbaar inkomen van de man in 2022 op basis van een inkomen van € 15.700,- bruto op € 1.064,- per maand. Verdere gegevens zijn niet bekend. Zijn (minimale) beschikbare draagkracht volgens de draagkrachttabel 2022 bedraagt dan € 50,- per maand, zijnde € 25,- per kind per maand.
Uit de overgelegde documenten over 2023 heeft de man voor het jaar 2023 een hoger inkomen gehad, namelijk 120.490 Poolse zloty bruto, hetgeen onbetwist omgerekend overeenkomt met ongeveer € 26.700,-. Het netto besteedbaar inkomen van de man berekent het hof in 2023 op basis van dit inkomen op € 1.639,- per maand. De man heeft in zijn beroepschrift aangegeven dat voor de berekening van de door hem te betalen kinderalimentatie dient te worden uitgegaan van de Trema-normen. Nu de kosten van levensonderhoud in Polen evenwel ongeveer 40 % lager liggen dan in Nederland, acht het hof het redelijk en billijk om een correctie op de noodzakelijke kosten van levensonderhoud toe te passen van 40 %. Verdere gegevens zijn niet bekend. Dit levert een voor kinderalimentatie beschikbare draagkracht op van € 251,-, zijnde afgerond € 126,- per kind per maand. Onbetwist is dat de verdiensten van de man in 2024 gelijk zijn aan 2023, zodat het hof hiervan uitgaat. De advocaat van de man heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat hij niet weet wat de inkomsten van de man in 2025 zijn. Het hof gaat er van uit dat deze niet substantieel afwijken van zijn verdiensten in 2023 en 2024.
De vrouw heeft ter zitting aangeboden haar financiële gegevens alsnog over te leggen. Niet bekend is wat haar aandeel in de kosten van de minderjarigen is. Het hof heeft derhalve onvoldoende gegevens om, indien nodig, tot een draagkrachtvergelijking te komen. De man heeft dit ook niet gevraagd.
Ingangsdatum
Het hof acht de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum van de alimentatieverplichting juist, zodat het hof deze datum overneemt.
6De slotsom
in het hoger beroep
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure de bijdrage aan de uit die relatie geboren kinderen betreft.
Het hof heeft een berekening van de draagkracht van de man en de vrouw gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
7De beslissing
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2022 tot 1 januari 2023 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 25,- per kind per maand zal betalen, en vanaf 1 januari 2023 € 126,- per kind per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat deze alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek, voor het eerst per 1 januari 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E. Sutorius-van Hees, C.M. van der Kleijn en L.C.A. Verstappen, bijgestaan door F.L. Lekahena als griffier, en is op 20 augustus 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
© Copyright 2009 - 2025 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733