Gerechtshof Den Haag 13-08-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1580


Datum publicatie29-08-2025
Zaaknummer200.348.059/01 en 200.348.253/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsDen Haag
Formele relatiesEerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2024:12885, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenAlimentatie;
Familievermogensrecht;
Pensioen; Nabestaandenpensioen/bijzonder partnerpensioen
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Vergoedingsrechten voor het huwelijk tussen de partners wordt beheerst door het algemene vermogensrecht, vergoedingsrechten na het huwelijk worden beheerst door de huwelijkse voorwaarden waarbij partijen hebben gekozen voor een nominale vergoeding. De mogelijke gevolgen van een gemeenschappelijke bankrekening, wie is gerechtigd op het saldo van de rekening. Leerstuk van de vermenging.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie

zaaknummers : 200.348.059/01 en 200.348.253/01

rekestnummer rechtbank : FA RK 23-4154

zaaknummer rechtbank : C/09/648942

beschikking van de meervoudige kamer van 13 augustus 2025

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. K. van der Bijl te Alphen aan den Rijn,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.J. Verdult te Rotterdam.

1Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 8 augustus 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna: de bestreden beschikking.

2Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 8 november 2024 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De vrouw heeft op 26 februari 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

De man heeft op 15 april 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4

Voorts zijn bij het hof ingekomen:

van de zijde van de man:

- een e-mail van 8 november 2024, met bijlagen;

- een e-mail van 23 december 2024, met bijlagen;

- een journaalbericht van 16 januari 2025, met bijlage;

- een journaalbericht van 11 mei 2025, met bijlagen;

- een journaalbericht van 15 mei 2025, met bijlagen,

van de zijde van de vrouw:

- een e-mail van 9 mei 2025, met bijlagen.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 22 mei 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun respectieve advocaten.

3De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Partijen zijn op 7 november 2003 onder huwelijkse voorwaarden gehuwd.

3.3

Zij zijn de ouders van de volgende inmiddels (jong)meerderjarige kinderen:

- [kind 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna: [kind 1] ,

- [kind 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna: [kind 2] ,

- [kind 3] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna: [kind 3] .

3.4

In hoger beroep is vast komen te staan dat de echtscheidingsbeschikking op 6 januari 2025

is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

Voorts is bepaald dat de man aan [kind 3] , met ingang van de datum van de beschikking (8 augustus 2024), een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie zal voldoen van € 500,- per maand.

Daarnaast is bepaald dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie zal voldoen van € 1.235,- bruto per maand.

Voorts heeft de rechtbank een ‘spoorboekje’ ten aanzien van de verdeling van de echtelijke woning te [plaats] en het appartement aan [adres 1] inclusief de daartoe behorende parkeerplaats bepaald.

Ten aanzien van het appartement aan [adres 2] inclusief de daartoe behorende parkeerplaats en de vordering van de vrouw terzake Oracle E*Trade rekening heeft de rechtbank bepaald:

• dat de vrouw de mogelijkheid krijgt om de woning over te nemen voor de meest recente WOZ-waarde van de woning;

• dat de vrouw daartoe binnen vier maanden vanaf de datum van de bestreden beschikking dient aan te tonen dat zij in staat is de toedeling van de woning tegen de WOZ-waarde aan haar te financieren;

• dat, indien de vrouw daarin slaagt, de woning aan haar wordt toegedeeld; in dit geval dient de vrouw aan de man te vergoeden de helft van de meest recente WOZ-waarde;

• dat, indien de vrouw er niet in slaagt om de toedeling van de woning aan haar te financieren, de woning aan de man wordt toegedeeld voor de taxatiewaarde […];

• dat de financiële afwikkeling ter zake van het appartement aan [adres 2] en de daarbij behorende garage, alsmede de vordering van de vrouw terzake Oracle E*Trade rekening, zal plaatsvinden zoals in het lichaam van de bestreden beschikking beschreven onder het kopje ' [adres 2] ; vordering vrouw terzake Oracle E*Trade rekening’.

Ten aanzien van de woning in Frankrijk heeft de rechtbank bepaald:

• dat de woning wordt verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

• […]

• dat de over- dan wel onderwaarde tussen partijen bij helfte wordt gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, minus de aan de woning gekoppelde geldlening aan de ouders van de vrouw (€ 200.000,-) minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaartaxateur;

• […]

Ten aanzien van de gemeenschappelijke bankrekeningen heeft de rechtbank bepaald:

• dat partijen de saldi van de volgende gezamenlijke rekeningen dienen te verrekenen per heden in die zin dat aan ieder de helft van de saldi toekomt, waarna zij de betreffende rekeningen zullen opheffen:

-de gezamenlijke bankrekening bij ING eindigend met - [laatste drie cijfers] ;

-de gezamenlijke bankrekening bij Van Kempen Lanschot eindigend met - [laatste drie cijfers] ;

-de effectenrekening bij Van Kampen Lanschot eindigend met - [laatste drie cijfers] .

Voorts heeft de rechtbank bepaald dat partijen het saldo van de en/of rekening bij de ING Bank met het rekeningnummer eindigend met - [laatste drie cijfers] zullen verrekenen op het moment dat alle twee de panden aan [adres 1 en adres 2] zijn geleverd aan partijen, in die zin dat de saldi op de rekeningen bij helfte zullen worden verdeeld, waarna zij deze bankrekening zullen opheffen.

De rechtbank heeft ook de verdeling van een aantal inboedelgoederen bepaald.

Ten aanzien van de vergoedingsrechten en overige vorderingen heeft de rechtbank bepaald:

- dat de man aan de vrouw dient te betalen:

1. een bedrag van € 2.050,- ter zake de schadevergoeding voor waterschade;

2. een bedrag van € 5.000,- ter zake de overschrijving naar de Interactive Brokers

rekening;

3. een bedrag van € 13.375,- ter zake de aflossing hypotheek Van Lanschot;

4. een bedrag van € 19.285,67 plus wettelijke rente vanaf 21 mei 2024 ter zake de

terugbetaling van de lening;

naast de vergoedingsrechten als hiervoor genoemd bij de onroerende zaken in Nederland;

- dat de vrouw aan de man een bedrag van € 14.986,- ter zake de investeringen van de man in de woning in Frankrijk dient te betalen.

Ten aanzien van Ford S-Max heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de Ford S-Max eigendom is van de man.

Ten aanzien van het pensioen heeft de rechtbank bepaald dat de man gehouden is om de vrouw ter zake het (omgezette) pensioen in eigen beheer naar een ODV te compenseren aldus dat hij haar een bedrag van € 150.000,- dient te voldoen.

De bestreden beschikking is, met uitzondering van de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Hetgeen partijen meer of anders hebben verzocht is afgewezen.

4.2

De man verzoekt het hof bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de volgende onderdelen en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

I. de beslissing te vernietigen waarbij is bepaald dat de man een partneralimentatie dient te voldoen van € 1.235,00 bruto per maand en opnieuw rechtdoende te bepalen dat het verzoek van de vrouw om een partneralimentatie, dient te worden afgewezen;

II. de beslissing te vernietigen waarbij is bepaald dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft dan wel een vordering op de man heeft, ter zake van de Oracle E*Trade rekening en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de vrouw geen vordering/vergoedingsrecht heeft terzake haar Oracle E*Trade rekening en waarbij dus heeft te gelden dat de financiële afwikkeling ter zake van het appartement aan de [adres 2] aldus dient te zijn dat in de situatie dat het appartement aan de vrouw wordt toebedeeld, de rekensom zal zijn:

de meest recente WOZ-waarde van de woning minus € 229.075,00 ter zake van de lening bij

de onderneming van de man minus de kosten van de overdracht = saldo A en dit saldo A dient tussen partijen bij helfte te worden gedeeld.

En in de situatie dat het appartement niet aan de vrouw wordt toebedeeld omdat zij deze niet

kan financieren, maar aan de man wordt toebedeeld, de volgende rekensom dient te gelden om tot financiële afwikkeling te komen:

de taxatiewaarde van het appartement minus de lening bij de onderneming van de man ter

hoogte van € 229.075,00 minus de kosten van de makelaar-taxateur en van de overdracht =

saldo B en dit saldo B dient tussen partijen bij helfte te worden gedeeld.

III. de beslissing te vernietigen dat de vrouw een vergoedingsrecht zou hebben ter hoogte van

€ 5.000,00 ter zake de overschrijving van de man naar de Interactive Brokers rekening en in appel te bepalen dat deze vordering/vergoedingsrecht van de vrouw wordt afgewezen;

IV. de beslissing te vernietigen dat de vrouw een vergoedingsrecht zou hebben ter hoogte van

€ 13.350,00 ter zake de door haar gestelde aflossing van het privévermogen van de hypotheek

bij Van Lanschot Bankiers en in appel te bepalen dat deze vordering/vergoedingsrecht van de

vrouw wordt afgewezen;

V. de beslissing te vernietigen dat de vrouw een vergoedingsrecht zou hebben ter hoogte van

€ 19.285,67 plus wettelijke rente vanaf 21 mei 2024 ter zake de terugbetaling van de lening die de vrouw aan de man zou hebben verstrekt vanuit privévermogen;

VI. te bepalen dat de man een vergoedingsrecht/vordering heeft op de vrouw ter hoogte van het bedrag van € 2.617,00 en € 4.500,00 ter zake de stortingen/overboekingen van de vrouw;

VII. de beslissing te vernietigen ter zake de bepaling dat de man gehouden is om de vrouw te compenseren ter zake het (omgezette) pensioen in eigen beheer naar een ODV en waarbij de vrouw dient te worden gecompenseerd aldus dat door de man aan de vrouw een bedrag van € 150.000,00 dient te worden voldaan en opnieuw rechtdoende te bepalen dat aan de vrouw toekomt een bedrag van € 90.000,00 bruto uit hoofde van de aanspraak van de vrouw op de BV ten aanzien van het partnerpensioen (nu er geen omzetting heeft plaatsgevonden) in verband met het door de man gehouden pensioen in eigen beheer en uit welke hoofde de man voornoemd brutobedrag dient af te storten ten behoeve van de vrouw voor wat betreft het bijzonder partnerpensioen.

Althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

4.3

De vrouw verzoekt het hof om bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: de man niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem ingestelde beroep, dan wel zijn verzoeken af te wijzen.

Bij wijze van incidenteel beroep verzoekt de vrouw het hof om, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de beschikking te vernietigen voor zover daarbij een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw is vastgesteld ter hoogte van € 1.235,00 per maand en opnieuw rechtdoende een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw vast te stellen ter hoogte van € 4.745,00 per maand steeds bij vooruitbetaling te voldoen, ingaande per datum inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;

II. de beschikking te vernietigen ten aanzien van de door de man aan de vrouw te betalen compensatie ter hoogte van € 150.000,00 ter zake het omzetten van het pensioen in eigen beheer in een Oudedagsvoorziening en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man aan de vrouw een compensatie dient te voldoen ter hoogte van € 150.000,00 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum beschikking van 8 augustus 2024 tot de dag der algehele voldoening;

III. de beschikking te vernietigen voor zover daarbij is bepaald dat beide partijen bij helfte gerechtigd zijn tot 50% van de verkoopopbrengst van de woning in Frankrijk en opnieuw rechtdoende te bepalen dat beide partijen bij helfte gerechtigd zijn tot 50% van de verkoopopbrengst van de woning in Frankrijk, daarbij vast te stellen dat de verkoopopbrengst € 245.000,00 bedraagt en voorts te bepalen dat deze verdeeld dient te worden conform hetgeen door de rechtbank bij de beschikking van 8 augustus 2024 is bepaald;

IV. de beschikking te vernietigen voor zover daarbij de vorderingen van de vrouw ter zake de BTW teruggaven over de jaren 2011 en 2023 zijn afgewezen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag dient te vergoeden ter hoogte van € 40.670,50.

V. de beslissing te vernietigen voor zover daarbij de vorderingen van de vrouw ter zake de huuropbrengsten zijn afgewezen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag dient te vergoeden ter hoogte van € 107.884,50.

VI. de beschikking te vernietigen voor zover daarbij de vorderingen van de vrouw ter zake de opheffing van haar [b.v. 1] in 2014, bijdrage van € 52.049,00 vanuit de aandelenrekening van [bedrijf] in 2016, de bijdragen in de kosten van de huishouding voldaan uit de huurpenningen en schenkingen van haar ouders en de op de gemeenschappelijke bankrekening ontvangen belastingteruggaven over 2012 tot en met 2019, zijn afgewezen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag dient te vergoeden ter hoogte van € 164.679,00.

VII. te bepalen dat de door de man aan de vrouw te betalen bedragen uit hoofde van de verzoeken hiervoor vermeld onder IV, V en VI zullen worden verhoogd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van de ten deze te geven beschikking tot en met de dag der algehele voldoening.

4.4

De man verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde incidenteel appel dan wel haar verzoeken af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

5De motivering van de beslissing

Partneralimentatie

Grievend gedrag en verbroken lotsverbondenheid

5.1

De man stelt zich op het standpunt stelt dat de vrouw zich zodanig grievend jegens hem heeft gedragen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw van hem een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud verlangt. Daartoe voert de man aan dat de vrouw op de zitting in eerste aanleg belangrijke informatie over haar nieuwe baan heeft verzwegen. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 juni 2024 en kort daarna heeft de man vernomen dat de vrouw een baan had gevonden en zou starten op 1 juli 2024. De man kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de vrouw wel degelijk op het moment van de zitting wist dat zij een baan had gevonden dan wel ver in het sollicitatieproces was en desondanks heeft de vrouw geen enkele inlichting hierover gegeven. Daarnaast herhaalt de man hetgeen hij in eerste aanleg over het grievende gedrag van de vrouw heeft aangevoerd (naar het hof begrijpt: over de wijze waarop partijen uiteen zijn gegaan), hetgeen door de rechtbank ten onrechte niet als grievend gedrag is aangemerkt.

5.2

De vrouw heeft gemotiveerd weersproken dat zij zich grievend jegens de man heeft gedragen.

5.3

Het hof overweegt als volgt. De enkele constatering van wangedrag of grievend gedrag jegens de onderhoudsplichtige van degene die alimentatie verzoekt is in de regel onvoldoende om beëindiging of matiging van de onderhoudsplicht aan te nemen. In het algemeen geldt dat bij de beoordeling in een concreet geval of een zodanige situatie zich voordoet, terughoudendheid dient te worden betracht, mede gelet op het onherroepelijke karakter van een dergelijke beëindiging dan wel matiging.

5.4

Niet iedere vorm van wangedrag dan wel grievend gedrag is daarom aanleiding om de onderhoudsverplichting te matigen of te beëindigen.

5.5

Voor het hof zijn de door de man aangevoerde feiten en omstandigheden, zo al juist, onvoldoende zwaarwegend voor afwijzing van het alimentatieverzoek van de vrouw. Naar het oordeel van het hof kan niet worden geconcludeerd dat de vrouw zich zodanig jegens de man heeft gedragen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat hij partneralimentatie aan de vrouw zou moeten betalen.

5.6

Het hof komt daarmee toe aan de beoordeling van de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man voor het vaststellen van de hoogte van de alimentatieverplichting.

De ingangsdatum

5.7

Het hof zal voor de ingangsdatum van de (eventuele) onderhoudsverplichting uitgaan van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, te weten 6 januari 2025, nu deze datum tussen partijen niet in geschil is.

Hoogte van de partneralimentatie

Behoefte van de vrouw

5.8

Voorts is niet in geschil is dat de behoefte van de vrouw € 5.500,00 netto per maand bedraagt in 2024. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt haar behoefte afgerond € 5.858,- netto per maand.

Behoeftigheid

5.9

Het hof overweegt met betrekking tot de aanvullende behoefte van de vrouw aan een bijdrage ten laste van de man als volgt. Uit de door de vrouw overgelegde salarisspecificaties over de periode januari 2025 tot april 2025 volgt dat de vrouw in die maanden een inkomen heeft verdiend van € 4.500,- bruto per maand. Het hof begrijpt dat de vrouw vanaf april 2025 een inkomen verdient van € 4.568,00 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en overige tegemoetkomingen. Het hof zal van dit laatste, hogere, inkomen uitgaan nu de vrouw dat zelf, in haar eigen draagkrachtberekening, ook heeft gedaan (bijlage 28 bij haar journaalbericht van 9 mei 2025). Het hof heeft het netto besteedbaar inkomen (nbi) van de vrouw berekend op € 3.627,- per maand.

5.10

Uit het voorgaande volgt dat de vrouw een (netto) aanvullende behoefte heeft van
€ 2.231,- per maand.

Draagkracht van de man

5.11

Vervolgens dient beoordeeld te worden of de man voldoende draagkracht heeft om te voorzien in de aanvullende behoefte van de vrouw. Het hof is van oordeel dat de man voldoende financiële gegevens in het geding heeft gebracht om zijn inkomen vast te kunnen stellen – niettegenstaande het feit dat de man ter zake van de aangifte inkomstenbelasting 2024 enkel een conceptversie in het geding gebracht. De man heeft naast de aangifte inkomensbelasting 2024 ook zijn jaaropgaven 2024 in het geding gebracht alsmede enkele loonstaten. Voorts heeft de man (in concept) de balans per 31 december 2024 en (in concept) de winst-en-verliesrekening over 2024 met betrekking tot de besloten vennootschap [naam b.v. 2] (hierna: de b.v.) in het geding gebracht. Uit de conceptbalans volgt dat de b.v. per 31 december 2024 een vordering heeft op de man van € 622.160,- welke vordering als schuld is opgenomen in zijn aangifte inkomstenbelasting 2024 bij het bepalen van zijn belastbaar inkomen uit box 2. Voorts heeft de man in het geding gebracht een toelichting van zijn boekhouder op het door de man in 2024 genoten inkomen (producties HB 5 en HB 25). Uit deze toelichting volgt dat het inkomen van de man in 2024 bedroeg: a) een beheersvergoeding van € 6.000,-, b) pensioen uit de b.v. van € 17.083,-, c) overige pensioeninkomsten € 5.675,- per jaar en d) AOW € 16.350,-. Over al deze inkomsten is de man inkomstenbelasting verschuldigd. Voorts volgt uit de aangifte inkomstenbelasting 2024 dat – in verband met de hoogte van de schuld van de man van € 622.160 – een fictief inkomen in box 2 is meegenomen van € 122.160,-. Feitelijk is dit inkomen van de man niet genoten. Echter, wel is de man over dit fictief inkomen belasting verschuldigd in het kader van box 2. Gezien het vorenstaande is het hof van oordeel dat de financiële positie van de man zwak is.

5.12

Door de vrouw wordt gesteld dat de man nog inkomsten heeft uit de [stichting] , hetgeen door de man wordt betwist. Gezien de leeftijd van de man, 69 jaar, is het hof van oordeel dat van hem in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij nog inkomsten uit arbeid gaat genereren. Het hof gaat er daarom van uit dat de man geen inkomsten meer geniet uit de [stichting] . Voorts wordt door de vrouw gesteld dat de man ook nog inkomsten heeft uit het buitenland, hetgeen door de man wordt betwist. Gezien het feit dat de vrouw geen extra bewijs heeft aangedragen met betrekking tot de door haar gestelde extra buitenlandse inkomsten houdt het hof daar geen rekening mee, te meer daar die ook niet zijn meegenomen in de aangifte inkomstenbelasting, die de man op basis van de Algemene wet inzake rijksbelastingen naar waarheid dient in te vullen. Met betrekking tot de huurinkomsten van de man is de hoogte daarvan tussen partijen niet in geschil. Tussen partijen is eveneens niet in geschil dat de man aan [kind 2] en [kind 3] een bijdrage voldoet van € 500,- per maand per kind.

5.13

Door de man is een draagkrachtberekening in het geding gebracht (productie HB12). De man berekent zijn draagkracht op een negatief bedrag van € 1.027,-. Nu de man van die draagkracht uitgaat en het hof niet heeft vastgesteld dat de man een hogere draagkracht heeft, zal het hof de man daarin volgen. Uit deze draagkrachtberekening volgt derhalve dat de man geen draagkracht heeft voor partneralimentatie.

5.14

Het hof zal daarom de bestreden beschikking ten aanzien van de partneralimentatie vernietigen en het verzoek van de vrouw om een partneralimentatie vast te stellen, alsnog afwijzen. Indien de vrouw teveel aan alimentatie heeft ontvangen heeft zij voldoende inkomsten om dit teveel betaalde aan de man terug te betalen.

Vermogensrechtelijke afwikkeling waaronder mogelijke vergoedingsrechten

5.15

Het hof heeft aan partijen voorafgaande aan de zitting een agenda toegestuurd. Die agenda omvatte onder meer onderwerpen met betrekking tot de vermogensrechtelijke afwikkeling. Het hof heeft met partijen hun huwelijkse voorwaarden besproken. Partijen hebben in hun huwelijkse voorwaarden het ontstaan van een wettelijke huwelijksgemeenschap uitgesloten. Zij zijn geen periodiek of finaal verrekenbeding overeengekomen. Er is in huwelijksvermogensrechtelijke zin dus sprake van een situatie die wordt aangeduid als “koude uitsluiting”. De huwelijkse voorwaarden geven een duidelijke indicatie dat partijen hun vermogens gescheiden hebben willen houden.

5.16

Het hof heeft met partijen ook het leerstuk van de vergoedingsrechten besproken, zoals opgenomen in artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden. Partijen zijn daar een nominaal vergoedingsrecht overeengekomen. Het hof heeft ook besproken de breukdelengemeenschap (het onroerend goed van partijen dat zij in mede-eigendom hebben) alsmede wie gerechtigd is tot het saldo van de gemeenschappelijke bankrekening. Voorts heeft het hof vastgesteld met betrekking tot de breukdelengemeenschap dat iedere deelgenoot in beginsel zijn eigen aandeel in het goed dient te financieren. Indien de ene deelgenoot het aandeel van de andere deelgenoot financiert, ontstaat er in beginsel op grond van artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden een vergoedingsrecht.

5.17

Het hof heeft uit de procestukken van partijen begrepen dat partijen voorafgaande aan hun huwelijk al een gemeenschappelijke bankrekening hadden en dat op deze bankrekening gedurende hun samenleving alsmede gedurende hun huwelijk bedragen door de man en de vrouw zijn gestort en dat er een groot aantal mutaties heeft plaatsgevonden.

5.18

Op basis van artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden van partijen zijn de echtgenoten verplicht om een behoorlijke boekhouding bij te houden. Deze verplichting brengt in beginsel met zich mede dat van beide echtgenoten had kunnen worden verlangd dat zij de mutaties op de gemeenschappelijke bankrekening deugdelijk hadden bijgehouden en elkaar over en weer telkenmale hadden geïnformeerd. Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat partijen in de periode dat zij samenleefden elkaar hebben geïnformeerd met betrekking tot de mutaties op deze bankrekening. Nu beide partijen geen deugdelijke administratie hebben bijgehouden komt dit voor hun rekening en risico. Ondanks de grote hoeveelheid bankafschriften is het hof niet in staat om alle mutaties in kaart te brengen, te meer daar de stortingen van beide partijen als het ware zijn vermengd en uitsluitend aan de hand van een analyse van de totale mutaties op de gemeenschappelijke bankrekening kan worden vastgesteld wie wat heeft gestort en waaraan dat is besteed.

5.19

Indien de vrouw stelt dat de man gelden naar zijn zakelijke bankrekening heeft overgeboekt dan begrijpt het hof dat de vrouw bedoelt dat de man gelden heeft overgeboekt naar een bankrekening van de b.v.. Een dergelijke overboeking moet worden verwerkt in de rekening-courant van de man met zijn b.v. hetgeen eveneens geldt als de man geld overboekt van een bankrekening van de b.v. naar een privérekening van de man of een gemeenschappelijke rekening van partijen. Het hof is gebleken dat de man op 31 december 2024 een schuld aan de b.v. had van € 622.160,-. Het hof heeft onvoldoende inzicht in hoe het verloop van deze schuld is geweest. Als er gelden vanaf een gemeenschappelijke rekening naar de bankrekening van de b.v. zijn overgeboekt – de man was beschikkingsbevoegd nu er sprake was een gemeenschappelijke rekening – ontstaat er in beginsel een vorderingsrecht van de man op de b.v. tenzij de man aflost op (de rekening-courant) schulden. De overgeboekte gelden zijn gevloeid in het vermogen van de b.v. en niet in het privévermogen van de man. Uit de door de man overgelegde financiële bescheiden volgt echter dat de man niet een vordering op de b.v. heeft maar per 31 december 2024 een schuld aan de b.v. heeft van € 622.160,-.

[adres 2]

5.20

De vrouw stelt dat zij met betrekking tot het gemeenschappelijk eigendom [adres 2] een bedrag van € 52.414,- uit haar privévermogen heeft gefinancierd. Door de man wordt in zijn eerste grief bestreden dat de vrouw uit haar privévermogen een bedrag van € 52.414,- in de woning heeft geïnvesteerd. Naar het oordeel van het hof rust op de vrouw de bewijslast om aan te tonen dat zij een bedrag van € 52.414,- uit haar privévermogen heeft geïnvesteerd in voormeld onroerend goed. Door de vrouw is slechts gesteld dat zij een bedrag van € 52.414,- naar de gemeenschappelijke bankrekening van partijen heeft overgeboekt. De mogelijke overboeking van 52.414,- is derhalve vermengd met gelden die zowel van de man als van de vrouw zijn. Door de man is gesteld dat het appartement [adres 2] destijds volledig door de b.v. is gefinancierd. Uit de in hoger beroep door de man ingebrachte e-mail van notaris [notaris] van 4 september 2024 (productie HB3) - de notaris ten overstaan van wie het pand naar partijen is getransporteerd - volgt naar het oordeel van het hof dat de koopsom is voldaan door [b.v. 3] Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw dus niet aangetoond, mede bezien de verklaring van de notaris, dat zij privémiddelen heeft geïnvesteerd in de woning aangezien de koopsom is betaald door [b.v. 3] .

5.21

Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen voor zover de rechtbank heeft bepaald dat e vrouw een vergoedingsrecht van € 52.414,- toekomt welk vergoedingsrecht opeisbaar is bij de feitelijke verdeling van de [adres 2] . Het hof zal het verzoek van de vrouw ter zake alsnog afwijzen.

5.22

De man heeft zijn tweede grief ter zitting ingetrokken, zodat deze geen bespreking behoeft.

Diverse vergoedingsrechten en overige vorderingen

5.23

In zijn derde grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij van de gemeenschappelijke rekening een bedrag van € 10.000,- naar zijn privérekening heeft overgeboekt. Deze overboeking heeft plaatsgevonden in 2014. Zoals het hof hiervoor al heeft overwogen was de man beschikkingsbevoegd om over deze rekening te beschikken. De man erkent dat hij een bedrag van € 10.000,- van de gemeenschappelijke rekening heeft overgeboekt naar zijn privérekening, maar stelt dat hij in datzelfde tijdvak vanuit zijn privévermogen tenminste € 10.000,- op de gemeenschappelijke rekening heeft gestort. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen ontbreekt een complete analyse van de gemeenschappelijke bankrekening ten aanzien van wie wat heeft gestort en waaraan het is uitgegeven. Het saldo op de gemeenschappelijke bankrekening komt in beginsel aan beide partijen gezamenlijk toe tenzij bewezen wordt dat het saldo op de rekening afkomstig is uit het privévermogen van de man. Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat de man een bedrag van € 10.000,- van zijn privérekening naar de gemeenschappelijke rekening heeft overgeboekt en vervolgens weer hetzelfde bedrag naar zijn privérekening heeft teruggeboekt. Het niet deugdelijk administreren komt in deze voor risico van de man.

5.24

In zijn vierde grief stelt de man dat hij het niet eens is met de overweging van de rechtbank dat de vrouw heeft aangetoond dat zij op 7 juni 2002 een bedrag van € 26.750,- uit haar privévermogen op de gemeenschappelijk hypothecaire geldlening bij Van Lanschot heeft afgelost. Het hof stelt vast dat de door de vrouw gestelde aflossing heeft plaatsgevonden voor de datum van het huwelijk, derhalve wordt een mogelijk vergoedingsrecht niet beheerst door de huwelijkse voorwaarden. Het hof verwijst in dezen naar het arrest van de Hoge Raad van 10 mei 2019 (ECLI:NL:HR:2019:707). Uit het betoog van de man volgt dat de aflossing van € 26.750,- heeft plaatsgevonden vanuit de gemeenschappelijke bankrekening, die partijen ook al voor hun huwelijk hadden. Op basis van de door de vrouw verstrekte gegevens kan het hof niet vaststellen dat de vrouw vanuit haar privévermogen rechtstreeks heeft afgelost op de gemeenschappelijke hypothecaire geldlening. De grieft treft geen doel. Het hof zal de bestreden beschikking op dit onderdeel vernietigen en het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man een bedrag van € 13.375,- aan haar dient te vergoeden, alsnog afwijzen.

5.25

In de toelichting op zijn vijfde grief erkent de man dat hij van de vrouw in 1999 een bedrag heeft geleend van € 19.285,67. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat op de man de bewijslast rust van zijn stelling dat hij deze geldlening uit privémiddelen heeft afgelost. Het hof is eveneens met de rechtbank van oordeel dat de man dat niet heeft aangetoond. Het hof voegt hieraan toe dat de lening heeft plaatsvonden in 1999. Partijen zijn op 7 november 2003 gehuwd. Derhalve was de vordering van de vrouw op het moment van het huwelijk nog niet verjaard. Voor de verjaring geldt de regeling van boek 3 (het hof verwijst naar de verlengingsgrond). Grief vijf van de man treft derhalve geen doel. Het hof zal de bestreden beschikking ter zake bekrachtigen.

Pensioen in eigen beheer of oudedagsverplichting (ODV)

5.26

De rechtbank heeft beslist dat de man aan de vrouw in het kader van de ODV dient te betalen de somma van € 150.000,-. Door de man wordt bestreden dat hij in 2017 zijn pensioen in eigen beheer bij de b.v. heeft omgezet in een ODV. Het is het hof ambtshalve bekend dat sinds 1 juli 2017 geen pensioen in eigen beheer mag worden opgebouwd. De wetgever heeft aan de DGA keuze gegeven: a) omzetting in een oudedagsverplichting b) afkopen c) bevriezing van de huidige situatie. Het hof begrijpt uit de toelichting van de fiscaal jurist van de man dat er in 2017 geen rechtsgeldige omzetting in een ODV heeft plaatsgevonden. Voorts heeft het hof vastgesteld dat in de jaarrekening 2023 per 31 december 2023 een pensioenvoorziening is opgenomen van € 270.907,-. Ondanks het verweer van de vrouw is het hof op basis van de toelichting van de fiscaal jurist van de man en de jaarrekening van oordeel dat er geen omzetting in een ODV heeft plaatsgevonden. Ten overvloede verwijst het hof partijen naar de huwelijkse voorwaarden waarbij partijen de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding hebben uitgesloten en bepaald hebben dat de vrouw slechts aanspraak kan maken op een nabestaandenpensioen. Een nabestaandenpensioen wordt veelal verzekerd op risicobasis. Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van het pensioen in eigen beheer vernietigen. Nu de man zelf stelt dat de vrouw uit hoofde van partnerpensioen een bruto bedrag van € 90.000,- toekomt, zal het hof op dit punt de bestreden beschikking vernietigen en de man veroordelen om ten aanzien van het partnerpensioen een bedrag van € 90.000,- bruto aan de vrouw te voldoen.

Woning Frankrijk

5.27

In haar eerste grief stelt de vrouw dat de woning van partijen in Frankrijk is verkocht voor € 245.000,- in plaats van € 260.000,-, omdat een bedrag van € 15.000,- betrekking heeft op meubels in de woning die niet aan partijen gezamenlijk toebehoorden. Uit de processtukken heeft het hof kunnen afleiden dat partijen destijds de woning te Frankrijk inclusief de inboedel van de ouders van de vrouw hebben gekocht. Het hof gaat er derhalve vanuit dat zowel de woning alsmede de daarbij behorende inboedel aan partijen gemeenschappelijk toebehoort. Nu de woning inclusief de inboedel is verkocht voor € 260.000,- betekent zulks dat partijen beide gelijk gerechtigd zijn tot de opbrengst. De stelling van de vrouw dat destijds de inboedel niet was inbegrepen bij de aankoop, acht het hof niet aangetoond op basis van de gegevens die de vrouw heeft verstrekt en welke door de man zijn betwist. De grief van de vrouw faalt. Het hof zal de bestreden beschikking op dit onderdeel bekrachtigen.

BTW teruggave

5.28

In haar tweede grief stelt de vrouw dat zij vergoedingsrechten heeft uit hoofde van de BTW teruggaven bij de aankopen van de twee appartementen in 2011 en 2013. Het hof begrijpt uit de processtukken dat partijen twee appartementen hebben gekocht: het appartement aan [adres 1] en het appartement aan [adres 2] en dat partijen de BTW die verschuldigd was over de appartementen hebben teruggevraagd en dat die teruggave is gestort op de gemeenschappelijke bankrekening van partijen. De teruggave komt derhalve toe aan beide partijen. Vast staat dat het bedrag op de gemeenschappelijke bankrekening van partijen is gestort en dat de gelden zijn vermengd met de gelden van partijen die reeds op de gemeenschappelijke rekening stonden. Ook heeft het hof reeds overwogen dat de man beschikkingsbevoegd was om over de betreffende rekening te beschikken hetgeen ook niet door de vrouw is bestreden. Nu een volledige analyse van het verloop van de gemeenschappelijke rekening ontbreekt, kan het hof wederom niet vaststellen of de vrouw een vordering heeft op de man ter zake van vorenstaande vermogensmutatie. De grief van de vrouw faalt. Het hof zal de bestreden beschikking derhalve ook op dit onderdeel bekrachtigen.

Grief 3 en 4: kosten van de huishouding

5.29

De vrouw stelt in haar grieven 3 en 4 de draagplicht van de man aan de orde met betrekking tot de kosten van de huishouding. In de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden zijn partijen in artikel 7 overeengekomen hoe de kosten van de gemeenschappelijke huishouding moeten worden gedragen. Ook hebben partijen in lid 1 gedefinieerd wat onder kosten van de huishouding wordt verstaan. Onder kosten van de huishouding worden mede verstaan: premies voor gebruikelijke verzekeringen, de huurprijs voor de echtelijke woning en rente van geldleningen aangegaan ten behoeve van de financiering van voor het gemeenschappelijke huishouden bestemde zaken zoals de echtelijke woning, de vakantiewoning, de inboedel en de gezinsauto('s). Het betreft naar het oordeel van het hof een redelijk algemeen geformuleerd begrip wat onder kosten van de huishouding wordt verstaan. Voorts volgt uit lid 2 dat als een echtgenoot in enig jaar teveel heeft bijdragen in de kosten van de huishouding hij of zij het recht heeft om het teveel bijgedragene terug te vorderen van de andere echtgenoot. Uit lid 3 volgt dat dit recht komt te vervallen een jaar na ontbinding van het huwelijk. De kosten van de huishouding moeten op basis van de huwelijkse voorwaarden naar evenredigheid van ieders inkomen worden gedragen en indien de inkomens ontoereikend zijn dienen die kosten gedragen te worden naar evenredigheid van ieders vermogen. Op basis van de huwelijkse voorwaarden dient derhalve per kalenderjaar te worden vastgesteld wat de kosten van de huishouding zijn geweest en per kalenderjaar moet worden vastgesteld wat de draagplicht is van ieder der partijen. Op basis van de door de vrouw verstrekte gegevens kan het hof niet vaststellen wat per kalenderjaar de kosten van de huishouding zijn geweest, noch kan het hof per kalenderjaar vaststellen wat ieders draagplicht is geweest. Nu het hof over onvoldoende gegevens beschikt, treffen grief 3 en 4 geen doel. De vorderingen van de vrouw ter zake van de kosten van huishouding moeten worden afgewezen.

Hetgeen de vrouw overigens met betrekking tot de grieven 3 en 4 heeft gesteld acht het hof niet relevant voor de onderhavige beslissing inzake de kosten van de huishouding. De stelling van de vrouw zoals verwoord in randnummer 105 van haar verweerschrift: “Als gevolg van een en ander heeft de vrouw tot het beloop van de door en voor haar gestorte bedragen, die uitsluitend haar toekwamen, bijgedragen aan de huishoudrekening, zonder dat zij daartoe op grond van de respectievelijke inkomens- en vermogensposities van partijen die jaren gehouden was.” is derhalve niet relevant aangezien per kalenderjaar moet worden vastgesteld wat de kosten van de huishouding zijn en wat de draagplicht is. Het had op de weg vrouw gelegen dat deugdelijk bij te houden. De vrouw is dat immers zelf overeengekomen met de man in de huwelijkse voorwaarden. Ten overvloede merkt het hof op dat de aankoop van de Mercedes onder de kosten van huishouding valt. Ook deze grief van de vrouw faalt, zodat het hof de bestreden beschikking ook in zoverre zal bekrachtigen.

6Beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de partneralimentatie, het verzoek van de vrouw om in het kader van de financiële afwikkeling van de [adres 2] een vergoeding vast te stellen van € 52.414,-, de aflossing van de hypotheek bij Van Lanschot van € 13.375,-en de compensatie ter zake het (omgezette) pensioen in eigen beheer naar een ODV van € 150.000,- en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de vrouw om een partneralimentatie vast te stellen, alsnog af;

wijst het verzoek van de vrouw om in het kader van de financiële afwikkeling van de [adres 2] een vergoedingsrecht vast te stellen van € 52.414,-, alsnog af;

wijst het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man aan haar een bedrag van € 13.375,- dient te vergoeden, inzake de aflossing van de hypotheek bij Van Lanschot, alsnog af;

bepaalt dat de man aan de vrouw een bedrag dient te voldoen van € 90.000,- bruto uit hoofde van de aanspraak van de vrouw op partnerpensioen/ODV;

verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover voorts aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, M.W. Koek en J.B. Backhuijs, bijgestaan door mr. A. Wijtzes als griffier, en is op 13 augustus 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.



© Copyright 2009 - 2025 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733