Datum publicatie | 29-08-2025 |
Zaaknummer | C/08/330172 / FA RK 25-655 |
Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
Zittingsplaats | Almelo |
Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
Trefwoorden | Alimentatie; Verlenging termijn partneralimentatie |
Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Verzoek tot verlenigng van de alimentatieplicht voor de duur van 12 jaar met de mogelijkheid tot verlenging afgewezen. In dit geval moet worden aangeknoopt bij artikel 1:157 (oud) BW, nu deze zaak niet valt onder de Wet herziening partneralimentatie. De alimentatieverplichting is van rechtswege geëindigd op 14 februari 2025. Als bijzondere omstandigheden heeft de vrouw aangevoerd dat zij na de echtscheiding arbeidsongeschikt is geraakt, dat zij afstand heeft gedaan van pensioenverevening en geen pensioen heeft kunnen opbouwen, dat de man jarenlang te weinig alimentatie heeft betaald, waardoor zij niet heeft kunnen sparen, en dat in het echtscheidingsconvenant uitdrukkelijk de mogelijkheid tot verlenging is opgenomen. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet gebleken is van een uitzonderlijke situatie op grond waarvan verlenging van de termijn zou moeten plaatsvinden. Zij heeft nagelaten om al hetgeen redelijkerwijze van haar mag worden verwacht te doen om tot financiële zelfstandigheid te geraken. De vrouw had haar inkomensniveau moeten aanpassen aan de toekomstige daling van haar inkomen.Volledige uitspraak
locatie Almelo
team familie- en jeugdrecht
zaaknummer: C/08/330172 / FA RK 25-655
beschikking van 18 augustus 2025
inzake
[de vrouw] ,
verder te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1],
verzoekster,
advocaat: mr. G. van Lent,
en
[de man] ,
verder te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 2],
belanghebbende,
advocaat: mr. M.D. Withaar.
1Het procesverloop
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het verzoekschrift, met bijlagen, binnengekomen op 13 maart 2025;
- nagekomen stukken van mr. Van Lent, binnengekomen op respectievelijk 17 en 21 maart 2025;
- het verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek, met bijlagen, binnengekomen op 7 mei 2025;
- een op 4 juli 2025 binnengekomen brief met bijlagen van mr. Withaar van 3 juli 2025;
- een op 14 juli 2025 binnengekomen brief met bijlagen van mr. Van Lent van 14 juli 2025.
De mondelinge behandeling heeft op 21 juli 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten. Mr. Van Lent heeft daarbij gebruik gemaakt van een pleitnota.
2De feiten
Partijen zijn op 28 juni 1990 te Haaksbergen met elkaar gehuwd.
Partijen hebben de gevolgen van hun echtscheiding geregeld en neergelegd in het door beiden op 6 december 2012 ondertekende echtscheidingsconvenant en vaststellingsovereenkomst. In dit convenant zijn partijen, voor zover thans van belang, overeengekomen dat de man aan de vrouw een partneralimentatie van € 400,- bruto per maand verstrekt per datum inschrijving echtscheiding.
Bij beschikking van 30 januari 2013 heeft de rechtbank Oost-Nederland de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking op 14 februari 2013 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank Oost-Nederland voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat:
- de inhoud van hiervoor bedoelde echtscheidingsconvenant en vaststellingsovereenkomst deel uitmaken van die beschikking;
- de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 400,- per maand zal voldoen.
Bij beschikking van 13 juli 2023 van de rechtbank Overijssel is de beschikking van de rechtbank Oost-Nederland van 30 januari 2013 en het daarvan deel uitmakende echtscheidingsconvenant en vaststellingsovereenkomst gewijzigd in die zin dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 3 februari 2023 is vastgesteld op € 1.304,- per maand.
Ingevolge de wettelijke indexering beloopt voormelde bijdrage met ingang van 1 januari 2025 € 1.474,87 per maand.
Sinds 14 februari 2025 betaalt de man geen bijdrage meer in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, omdat de reguliere twaalfjaarstermijn is verstreken.
3Het verzoek
De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
in het incident: indien de man de verzochte financiële gegevens niet overlegt, de man te gebieden zijn aangifte IB 2024, jaaropgaven 2024, salarisstroken 2025, hypotheeklasten 2025 en de premie zorgverzekering 2025 in deze procedure in kopie aan de vrouw te verstrekken op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag met een maximum van € 100.000,-, voor iedere dag dat de man in gebreke is om aan de beschikking op het incident te voldoen;
in de hoofdzaak: de bij beschikking van 13 juli 2023 tussen partijen vastgestelde partneralimentatieverplichting ten laste van de man ten gunste van de vrouw van thans € 1.474,87 per maand met ingang van 14 februari 2025 te verlengen voor de duur van 12 jaar met de mogelijkheid van een hernieuwde verlenging;
kosten rechtens.
Zij voert daartoe aan dat zij kort na de echtscheiding ziek is geworden, waardoor zij niet meer in haar behoefte heeft kunnen voorzien. Partijen hebben bij het sluiten van het echtscheidingsconvenant over en weer afgezien van elkaars pensioenaanspraken, waardoor haar behoeftigheid vanaf haar 68e levensjaar toeneemt. Volgens haar behoort artikel 1:157 lid 5 BW een vangnet te bieden, wat ook noodzakelijk is, nu zij geen ouderdomspensioen van de man zal genieten. Anders dan waarvan partijen uitgingen, heeft de vrouw geen pensioen kunnen opbouwen door ziekte en verlies van haar baan met inkomsten. Zij is daarnaast haar WIA-toeslag verloren, omdat de zoon van partijen sinds de verhuizing van de man bij haar woont. Zij heeft bovendien al die jaren moeten interen op haar vermogen en niet kunnen sparen, mede doordat de man, zo blijkt uit de beschikking van 13 juli 2023, jarenlang te weinig alimentatie aan haar heeft voldaan, terwijl de man uit de verkoop van de voormalige echtelijke woning een flinke overwaarde heeft ontvangen. Hij woont inmiddels samen met een nieuwe partner en moet in staat worden geacht om een bijdrage van € 1.304,- per maand aan haar te voldoen. De vrouw is dan ook van mening dat de door haar genoemde bijzondere omstandigheden (door ziekte beperkte inkomen, geen afdoende pensioenopbouw en geen pensioenverevening) maken dat zij voor verlenging van de partneralimentatietermijn in aanmerking komt, nu naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd dat zij de gevolgen van het aflopen van de alimentatietermijn uitsluitend zelf opvangt.
4Het verweer
De man verzoekt de rechtbank de vrouw ten aanzien van het voorwaardelijk verzochte bewijsincident niet ontvankelijk te verklaren dan wel dit verzoek af te wijzen. Ten aanzien van de verzochte verlenging van de alimentatieplicht verzoekt de man primair de vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dit verzoek af te wijzen. Subsidiair, indien het voor zover de rechtbank meent dat de termijn voor de alimentatieplicht wel verlengd dient te worden, verzoekt hij de vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar verzoek geheel of gedeeltelijk af te wijzen en het bedrag aan partneralimentatie op nihil te stellen dan wel op een lager bedrag vast te stellen dan de vrouw verzoekt en de duur van de alimentatieplicht te beperken en te bepalen dat de termijn niet opnieuw kan worden verlengd, kosten rechtens.
Hij is van mening dat de beëindiging van de alimentatie voor de vrouw weliswaar ingrijpend is, maar van bijzondere omstandigheden, die een verlenging van de termijn van de alimentatieplicht rechtvaardigen, is volgens hem geen sprake. De man betwist dat de vrouw burn-out klachten had en heeft. Voor zover daarvan wel sprake is, heeft zij nagelaten om inzicht te geven in wat zij heeft gedaan om daarvan te herstellen, zeker nu uit de verklaring van het UWV blijkt dat zij 45 tot 55% arbeidsongeschikt is verklaard en dus nog 20 tot 24 uur per week kon werken. Daarnaast heeft de vrouw haar levensstijl niet aangepast en niet gespaard, ondanks het feit dat zij een groot bedrag aan overwaarde uit de voormalige echtelijke woning heeft ontvangen. Bovendien kan de inwonende zoon meebetalen aan alle vaste lasten. De vrouw had er alles aan moeten doen om tot financiële zelfstandigheid te geraken, maar heeft niets gedaan. Tijdens de echtscheiding heeft zij welbewust afspraken over het pensioen en de verdeling gemaakt en gekozen voor meer vermogen (namelijk toedeling van de grotere auto en caravan) direct na de scheiding in plaats van meer pensioen in de toekomst. Als de vrouw, 52 jaar oud ten tijde van de scheiding, gewoon was gaan werken, had zij zelf meer pensioen opgebouwd. De vermeende arbeidsongeschiktheid en de niet afdoende pensioenopbouw vormen naar de mening van de man geen bijzondere omstandigheden voor verlenging van de alimentatieverplichting. Hij concludeert dan ook dat de vrouw onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij er alles aan gedaan heeft wat redelijkerwijs van haar mag worden verwacht om tot financiële zelfstandigheid te geraken en dat door het wegvallen van de partneralimentatie voor haar een (financiële) noodtoestand is ontstaan. Zij is door haar eigen keuzes in haar huidige situatie beland en dat mag niet op de man afgewenteld worden. Tot slot is niet komen vast te staan dat de behoefte van de vrouw aan voortduring van de door de man te betalen alimentatie nog verband houdt met de lotsverbondenheid die door het huwelijk is ontstaan.
5De beoordeling
Het wettelijk kader
Het verzoek tot echtscheiding van partijen is destijds bij de rechtbank Oost-Nederland ingediend op 9 januari 2013, dus vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet herziening partneralimentatie. Op grond van het overgangsrecht blijft artikel 1:157 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zoals dit artikel luidde voor het tijdstip van de inwerkingtreding van de nieuwe wet (1 januari 2020), van toepassing op een uitkering tot levensonderhoud, die voor dat tijdstip door de rechter is vastgesteld of tussen partijen is overeengekomen.
De rechtbank knoopt wat betreft de limitering daarom aan bij artikel 1:157 (oud) BW. Volgens lid 4 eindigt de verplichting tot levensonderhoud na echtscheiding van rechtswege na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren. Lid 5 bepaalt verder dat, indien de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van deze termijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van degene die tot de uitkering gerechtigd is niet kan worden gevergd, de rechter op diens verzoek alsnog een termijn kan stellen. Het verzoek dient te worden ingediend voordat drie maanden sinds de beëindiging zijn verstreken
Ontvankelijkheid
De alimentatieplicht is van rechtswege geëindigd op 14 februari 2025. Het verzoek is binnengekomen op 13 maart 2025, dus binnen de daarvoor gestelde termijn. De vrouw kan daarom in haar verzoek worden ontvangen.
Het oordeel
Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat de door de vrouw aangevoerde omstandigheden niet van dien aard zijn dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie en dat ongewijzigde handhaving van de termijn van twaalf jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen en overweegt daarover het volgende.
Blijkens de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie is het uitgangspunt van de wetgever geweest dat de alimentatieverplichting na twaalf jaren in beginsel definitief eindigt. Volgens de wetgever houdt de verantwoordelijkheid die men door het huwelijk op zich heeft genomen weliswaar een verplichting in om bij te dragen in het levensonderhoud van de andere partij, maar deze verantwoordelijkheid rechtvaardigt niet dat deze verplichting na beëindiging van de huwelijksband ongelimiteerd blijft bestaan. De termijn van twaalf jaar stelt de alimentatiegerechtigde in staat de zorg voor eventuele kinderen op zich te nemen en na verloop van tijd, wanneer de kinderen naar zelfstandigheid toegroeien, zich erop voor te bereiden in eigen levensonderhoud te voorzien.
Voor een verlenging dienen bijzondere omstandigheden aan de zijde van de vrouw aanwezig te zijn. Naast de financiële situatie waarin de vrouw verkeert, zijn daarbij van belang in hoeverre haar behoefte aan voortduring van partneralimentatie nog met het huwelijk verband houdt en of zij alles heeft gedaan wat redelijkerwijze mag worden verwacht om tot financiële zelfstandigheid te geraken. De verlengingsmogelijkheid heeft een uitzonderingskarakter.
Als om verlenging wordt verzocht, moet de alimentatiegerechtigde aantonen dat sprake is van een uitzonderlijke situatie. Daarbij kan volgens de parlementaire geschiedenis en de Hoge Raad in zijn uitspraak van 19 december 2008, LJN BF3928, naast de financiële situatie waarin de alimentatiegerechtigde verkeert, onder meer worden gedacht aan de volgende factoren, die in onderlinge samenhang moeten worden bezien:
in hoeverre de alimentatiegerechtigde in twaalf jaar tijd alles gedaan heeft wat redelijkerwijs verwacht mag worden om tot financiële zelfstandigheid te geraken, diens leeftijd, gezondheid, arbeidsverleden en achtergrond in aanmerking genomen;
de mate waarin de behoefte van de alimentatiegerechtigde aan voortduring van een uitkering tot levensonderhoud nog verband houdt met het huwelijk;
de verwachting van partijen toen zij huwden;
de zorg voor de kinderen en de mogelijkheden die de zorg liet, het aantal en de leeftijd van de kinderen mede in aanmerking genomen, om zich een bestaan op te bouwen dat onafhankelijkheid van de gewezen echtgenoot zou verschaffen.
De vrouw stelt dat zij een beperkt inkomen heeft. Zij is 45 tot 55% arbeidsongeschikt verklaard, maar is zowel mentaal als fysiek niet meer in staat om te werken. Vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking ontving de vrouw een partneralimentatie van € 400,- per maand en met ingang van 3 februari 2023 € 1.304,- per maand. Zij ontvangt op dit moment € 2.497,- bruto per maand, bestaande uit een WIA-uitkering van € 865,58 bruto per maand, een ABP aanvulling van € 156,58 bruto per maand en een partneralimentatie van laatstelijk (geïndexeerd) € 1.474,87 bruto per maand. Haar zoon draagt € 874,- per maand bij in de gebruikerslasten en compensatie voor de UWV toeslag, die zij door de inwoning niet meer ontvangt. Na het wegvallen van de partneralimentatie resteert enkel nog een inkomen van € 1.021,58 bruto per maand en de bijdrage van haar zoon van € 874,- per maand. Zodra de zoon zelfstandige woonruimte heeft, zal de vrouw lagere gebruikerskosten hebben en ontvangt zij alsnog de UWV toeslag van € 450,- per maand. Nu de vrouw geen partneralimentatie meer ontvangt, is er sprake van een ingrijpende terugval in het inkomen. De man erkent dat de inkomensterugval voor de vrouw ingrijpend is door het wegvallen van de alimentatie, daargelaten het feit dat de vrouw volgens hem onvoldoende inzage in haar inkomsten heeft gegeven en dus niet heeft voldaan aan haar bewijsplicht.
Vervolgens rijst de vraag of de vrouw bijzondere omstandigheden heeft gesteld en aangetoond, waardoor ongewijzigde handhaving van de termijn van twaalf jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevraagd. De vrouw heeft de volgende bijzondere omstandigheden gesteld:
De vrouw is vrij kort na het einde van het huwelijk arbeidsongeschikt geraakt en heeft vervolgens (nagenoeg) niet meer aan het arbeidsproces kunnen deelnemen en daardoor geen pensioen kunnen opbouwen.
Partijen hebben afgezien van verevening van pensioen maar als gevolg van de arbeidsongeschiktheid van de vrouw heeft zij geen pensioen kunnen opbouwen.
De man heeft jarenlang (tot 2023) te weinig alimentatie betaald. In 2023 is de alimentatie op verzoek van de vrouw aanzienlijk hoger bepaald.
Het echtscheidingsconvenant kent nadrukkelijk de mogelijkheid te verzoeken om een verlenging van de termijn.
Deze bijzondere omstandigheden leiden naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie dat sprake is van een situatie waarin de termijn van 12 jaren moet worden verlengd. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
De behoefte van de vrouw is gerelateerd aan het huwelijk van partijen. Het huwelijk van partijen kende een traditionele rolverdeling, waarbij de vrouw de zorg voor de twee kinderen heeft gehad, terwijl de man carrière heeft kunnen maken. De vrouw heeft tijdens het huwelijk een opleiding docent Duits gevolgd en heeft nadien enkele jaren, ook tijdens het huwelijk, parttime als docent Duits gewerkt. Vanaf 1 januari 2013, ten tijde van de echtscheiding, was zij werkloos en waren de kinderen meerderjarig. Per september 2015 heeft zij wederom een baan in het onderwijs gevonden, maar is zij, vanwege burn-out klachten in 2016 uitgevallen en arbeidsongeschikt geraakt voor 45 tot 55%.
Naar het oordeel van de rechtbank houdt de behoefte van de vrouw aan de voortduring van een uitkering tot levensonderhoud, die zij baseert op haar onvermogen om met arbeid inkomen te verwerven, geen verband meer met het huwelijk. Dat de vrouw al tijdens het huwelijk geen duurzame arbeidsmogelijkheden had, heeft zij niet dan wel onvoldoende concreet gesteld. Zij heeft een opleiding gevolgd en werkte tijdens het huwelijk ook als docent Duits. Ten tijde van de echtscheiding was de vrouw 52 jaar en waren de kinderen van partijen meerderjarig (19 en 20 jaar). De vrouw heeft een jaar gewerkt en is daarna, in 2016, voor 45 tot 55% arbeidsongeschikt geraakt. Van volledige arbeidsongeschiktheid is aldus geen sprake; de vrouw heeft dus een resterende verdiencapaciteit gehad. Daarmee had zij zich kunnen en moeten voorbereiden op het einde van de partneralimentatie. Dat zij in het geheel niet heeft kunnen werken is, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, niet althans niet voldoende aannemelijk geworden. Zij stelt weliswaar diverse trajecten te hebben doorlopen, waaronder een psycholoog, en dat zij nog steeds bezig is met herstel, maar ook dat is naar het oordeel van de rechtbank niet althans niet voldoende onderbouwd. Wel concludeert de arbeidsdeskundige van het UWV in 2023 dat het voor de vrouw, op dat moment 62 jaar, moeilijk wordt om weer terug te keren in een bepaald arbeidsritme. Dat neemt niet weg dat in de daaraan voorafgaande periode van de vrouw had mogen worden verwacht dat zij pogingen zou ondernemen te werken in omstandigheden die wel in het vermogen van de vrouw hadden gelegen volgens de arbeidsdeskundige. De enkele omstandigheid dat de vrouw na het huwelijk arbeidsongeschikt is geraakt en daarom behoeftig zou zijn, brengt naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet mee dat ongewijzigde handhaving van de wettelijke termijn van twaalf jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd.
Het feit dat de vrouw geen pensioen heeft kunnen opbouwen, is naar het oordeel van de rechtbank evenmin een bijzondere omstandigheid op grond waarvan verlenging van de alimentatietermijn gerechtvaardigd zou zijn. Pensioenopbouw is immers inherent aan arbeid, dus ingeval van arbeidsongeschiktheid of niet werken, vindt geen pensioenopbouw plaats. Daarnaast hebben partijen, en dus ook de vrouw, welbewust afgezien van pensioenverevening. Bij zo’n afspraak houden partijen rekening met de over en weer te verwachten pensioen en calculeren zij een risico in dat geen pensioen wordt opgebouwd, bijvoorbeeld door werkloosheid of ziekte. Als zo’n risico zich vervolgens manifesteert, is dat een gevolg van een welbewuste keuze van partijen waarbij het risico is aanvaard tenzij gebleken is dat partijen zich van dat risico niet bewust zijn geweest, wat overigens niet door de vrouw is gesteld of aannemelijk gemaakt. Deze pensioenafspraak dient dan ook voor haar eigen rekening en risico te komen.
Dat de man jarenlang te weinig alimentatie aan de vrouw heeft voldaan, acht de rechtbank evenmin een zodanig bijzondere omstandigheid op grond waarvan de alimentatieplicht zou moeten worden verlengd. Partijen hebben immers met bijstand van een advocaat die bijdrage welbewust vastgesteld en vastgelegd in een convenant. Deze omstandigheid ligt dan ook geheel in de risicosfeer van de vrouw en kan daarom niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid op grond waarvan verlenging noodzakelijk moet worden geacht. Het had ook op de weg van de vrouw gelegen dan eerder dan zij nu gedaan heeft een verhoging van de bijdrage te verzoeken. Kennelijk heeft de vrouw daartoe geen aanleiding gezien.
Dat, zoals de vrouw stelt, het echtscheidingsconvenant van partijen haar uitdrukkelijk de mogelijkheid tot verlenging van de partneralimentatie geeft, acht de rechtbank evenmin een bijzondere omstandigheid waaruit moet worden afgeleid dat de alimentatieplicht van de man verlengd wordt. Het convenant volgt wat dat betreft geheel de tekst van de wettelijke regeling: de alimentatieplicht eindigt van rechtswege na het verstrijken van twaalf jaar na datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Slechts indien beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van de twaalf jaarstermijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van degene die tot de uitkering gerechtigd is niet kan worden gevergd, kan de rechter op diens verzoek alsnog een termijn vaststellen. De rechtbank acht de verlengingsmogelijkheid in het echtscheidingsconvenant dan ook geen bijzondere omstandigheid.
De rechtbank overweegt verder nog dat de vrouw heeft nagelaten om al hetgeen redelijkerwijze van haar mag worden verwacht te doen om tot financiële zelfstandigheid te geraken. Het had op de weg van de vrouw gelegen om haar inkomensniveau aan te passen aan de toekomstige te verwachten daling van haar inkomen. Zij wist dat de onderhoudsplicht van de man eindig was en had zich, binnen de beperkingen die de arbeidsdeskundige heeft vastgesteld, meer kunnen voorbereiden hierop. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat zij, ondanks de eigendom van een eigen woning, met onbetwist een hoge overwaarde, de laatste jaren niet heeft kunnen anticiperen op de daling van haar inkomen. De vrouw kan nog steeds een voorziening treffen om meer financiële armslag te hebben Zij heeft immers de mogelijkheid om haar woning te verkopen. Dat de vrouw verkoop van die woning bezwaarlijk vindt, omdat zij elders hogere woonlasten (huur) zal moeten betalen, acht de rechtbank wellicht begrijpelijk, maar niet onderbouwd. Zo zal zij, ingeval van een huurwoning, in aanmerking kunnen komen voor huurtoeslag en de hogere kosten kunnen, naar mag worden verwacht, worden voldaan uit de overwaarde van de woning. Bovendien kan niet aan de man worden toegerekend dat de vrouw haar vermogen in het huis laat zitten.
De slotsom is dat de vrouw niet, althans onvoldoende, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, heeft onderbouwd dan wel aannemelijk gemaakt dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:157, lid 5 BW( oud), waarin ongewijzigde handhaving van de termijn van twaalf jaren naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw om de termijn van de partneralimentatie te verlengen, afwijzen.
Tot slot merkt de rechtbank op dat ook de man ervan uit mocht gaan dat de alimentatietermijn na verloop van twaalf jaar zou eindigen en erop mocht vertrouwen dat de vrouw er alles aan zou doen om na twaalf jaar volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Gelet op het voorgaande eindigt de verplichting van de man jegens de vrouw tot levensonderhoud van rechtswege op 14 februari 2025.
Nu het verzoek in de hoofdzaak wordt afgewezen, kan bespreking van het incident achterwege blijven.
De proceskosten
Nu partijen gewezen echtelieden zijn, zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen zijn eigen kosten draagt.
6De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek van de vrouw in de hoofdzaak en het incident af.
compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.M.B. Elferink en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2025 in tegenwoordigheid van M.T. Hovius-Huisman, griffier. |
||
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:
door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
© Copyright 2009 - 2025 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733