Datum publicatie | 28-08-2025 |
Zaaknummer | 453998 |
Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
Zittingsplaats | Arnhem |
Rechtsgebieden | Civiel recht |
Trefwoorden | Familievermogensrecht; Familieprocesrecht; Overeenkomst / convenant / OP; Bewijsrecht |
Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Kort geding. Vordering strekkende tot inzage bankafschriften over een periode van 12 maanden. Artikel 197 lid 1 Rv jo 196 lid 2 Rv biedt geen grondslag voor toewijzing van de vordering. Artikel 475g Rv evenmin want onvoldoende aannemelijk dat sprake is van een exectoriale titel. Het wettelijk recht van de schuldeiser op informatie strekt ook niet zover dat de schuldenaar verplicht is om rekening en verantwoording af te leggen.Volledige uitspraak
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/453998 / KG ZA 25-234
Vonnis in kort geding van 21 augustus 2025
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. W.G.G. Jansen de Lannoy,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.L.J. Wekking,
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 17,
- productie 1 van [gedaagde] ,
- de brief van 5 augustus 2025 met productie 18 van [eiser] ,
- de herziende productie 6 van [eiser] ,
- de mondelinge behandeling van 7 augustus 2025,
- de pleitnota van [gedaagde] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
Partijen zijn op [datum] 1999 op huwelijkse voorwaarden gehuwd. Partijen hebben twee thans meerderjarige kinderen.
Sinds 1 maart 2006 exploiteert [eiser] een eenmanszaak handelend onder de naam [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). [gedaagde] heeft tijdens het huwelijk administratieve werkzaamheden verricht voor [bedrijf 1] .
In 2023 heeft de creditcardmaatschappij in het kader van de Wwft informatie opgevraagd bij [gedaagde] met betrekking tot de creditcard die op haar naam stond, maar werd gevoed door twee ING-bankrekeningen op naam van [bedrijf 1] . Naar aanleiding hiervan is gebleken dat de administratie van [bedrijf 1] niet conform de fiscale regels is gevoerd.
Partijen hebben in verband hiermee [bedrijf 2] ingeschakeld om hen bij te staan in het contact met de Belastingdienst.
Op 23 juni 2023 is door [bedrijf 2] namens partijen een inkeermelding bij de Belastingdienst ingediend om alsnog volledig en correct aan de fiscale verplichtingen te voldoen.
Bij beschikking van 15 augustus 2024 heeft deze rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Daarin is bepaald dat de inhoud van het echtscheidingsconvenant van 2 augustus 2024 deel uitmaakt van de beschikking. De beschikking is op 30 augustus 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
In het echtscheidingsconvenant is bepaald dat [eiser] wegens overbedeling een bedrag van € 150.000,00 aan [gedaagde] zal voldoen. Daarin is verder, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
Artikel 5. Fiscale regeling
(…)
5f. Gebleken is dat de aangiften IB en BTW over de afgelopen jaren niet juist zijn gedaan.
Onderzocht wordt of en zo ja hoe deze aangiften gecorrigeerd kunnen en zullen worden.
Voor zover dat ziet op de jaren tot en met 2021 zijn beide partijen, ieder voor de helft, draagplichtig voor de naheffingsaanslagen inclusief kosten en boetes.
Voor zover dat ziet op de jaren vanaf 2022 is uitsluitend de man draagplichtig voor de naheffing inclusief kosten en boetes.
Op 12 augustus 2024 heeft [eiser] het bedrag van € 150.000,00 wegens overbedeling aan [gedaagde] betaald.
Bij navorderingsaanslag IB 2018 van 7 december 2024 en naheffingsaanslag OB 2019 van 27 december 2024 heeft de Belastingdienst aan [eiser] te betalen bedragen van respectievelijk € 156.315,00 en € 11.953,00 opgelegd. Op respectievelijk 17 december 2024 en 4 februari 2025 heeft [bedrijf 2] namens partijen tegen de hiervoor genoemde aanslagen bezwaar ingediend. [eiser] heeft het totale bedrag van € 168.268,00 op 3 maart 2025 voldaan aan de Belastingdienst.
Bij brieven van 6 maart 2025, 26 maart 2025 en 12 juni 2025 heeft [eiser] [gedaagde] verzocht om de helft van voormelde aanslagen, dus € 84.134,00, aan hem te voldoen.
[gedaagde] heeft in reactie daarop bij brief van 20 juni 2025 bericht dat zij niet zal overgaan tot betaling. Zij vermeldt verder dat [bedrijf 2] de Belastingdienst, na gezamenlijk akkoord van partijen, om uitstel van betaling heeft verzocht en dat [eiser] desondanks eenzijdig en zonder overleg tot betaling aan de Belastingdienst is overgegaan. Verder heeft zij erop gewezen dat de belastinginspecteur van mening is dat de navorderingsaanslag IB 2018 te hoog is vastgesteld en het aannemelijk is dat de aanslag wordt gecorrigeerd naar een lager bedrag. Tot slot heeft zij [eiser] laten weten dat zij geen vermogen heeft waarop verhaal kan worden gehaald en biedt zij een betalingsregeling aan van € 1.600,00 per maand en haar vakantiegeld en 13e maand.
In mei 2025 heeft [eiser] executoriaal derdenbeslag laten leggen op alle bankrekeningen van [gedaagde] . Het beslag op haar bankrekeningen bij de SNS-bank en de Revolutbank heeft geen doel getroffen. Blijkens de informatie van de deurwaarder bankiert [gedaagde] niet bij andere banken.
Daarna hebben de advocaten van partijen op 25 juni 2025 telefonisch contact met elkaar gehad. Namens [eiser] is inzage gevraagd in de bankafschriften van [gedaagde] over de periode vanaf 12 augustus 2024 omdat hij het vermoeden heeft dat [gedaagde] tot voor kort nog over vermogen beschikte. De advocaat van [gedaagde] heeft laten weten dat zij pas na 6 juli 2025 de mogelijkheid heeft om dit met [gedaagde] te bespreken.
Daarna is [eiser] de onderhavige procedure gestart.
3Het geschil
[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt om op grond van artikel 194 Rv binnen twee weken inzage/afschriften te verstrekken over de periode vanaf 12 augustus 2024 tot en met heden van de bankafschriften van de bankrekeningen bij SNS-bank en Revolutbank zodat (meer) inzicht wordt verkregen in het verloop en de omvang van het volledige vermogen van [gedaagde] over de voornoemde periode en daaraan omwille van de privacy van [gedaagde] de restricties verbindt dat:
-
van bijschrijvingen van het (netto) salaris van [gedaagde] of minder en afschrijvingen van minder dan € 10.000,00 slechts de datum en het bedrag van de bij- of afschrijving zichtbaar hoeven zijn,
-
bijschrijvingen hoger dan het maandelijkse netto salaris van [gedaagde] en afschrijvingen van meer dan € 10.000,00 volledig zichtbaar moeten zijn voor wat betreft de gegevens van de tegenrekening en de omschrijving van de boeking,
-
de banksaldi zichtbaar moeten zijn zodat het verloop van het vermogen te volgen is,
op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] niet aan haar inzageverplichtingen voldoet, met een maximum van € 50.000,00,
met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente, en de nakosten.
[gedaagde] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
[eiser] vordert in dit kort geding, kort gezegd, inzage in de bankgegevens van de (twee) bankrekeningen van [gedaagde] over de periode vanaf 12 augustus 2024 tot en met heden. Aan zijn vordering legt hij ten grondslag dat uit door hem verricht onderzoek blijkt dat [gedaagde] vanaf 12 augustus 2024 over een vermogen van in ieder geval € 480.000,00 beschikte, namelijk het bedrag van € 150.000,00 dat hij aan haar heeft betaald en circa € 330.000,00 uit de nalatenschap van haar moeder. De stelling van [gedaagde] dat zij niet aan haar betalingsverplichting, die voortvloeit uit het echtscheidingsconvenant, kan voldoen omdat zij geen vermogen meer heeft is volgens hem daarom ongeloofwaardig. Nu het beslag geen doel heeft getroffen, heeft [eiser] gegronde vrees dat [gedaagde] verhaal frustreert dan wel haar vermogen aan verhaal probeert te onttrekken. Door middel van de gevorderde inzage wil [eiser] inzicht krijgen in het verloop en de omvang van het volledige vermogen van [gedaagde] en op basis van die informatie beoordelen of hij akkoord moet gaan met de door [gedaagde] voorgestelde betalingsregeling. Door de beperkingen die aan de vorderingen zijn verbonden, zoals opgenomen in het petitum, is ook voldaan aan de vereisten van bepaalbaarheid en proportionaliteit, aldus [eiser] .
[gedaagde] voert daartegen het volgende verweer. In feite wil [eiser] weten waarop hij verhaal kan nemen. Het inzagerecht is echter ingebed in de wettelijke regeling van de bewijsmiddelen en heeft daarom als doel het bewijsbelang te dienen en niet een verhaalsbelang. De door [eiser] gevraagde bankafschriften heeft hij niet nodig voor het vaststellen van een rechtsbetrekking en dient dus niet als bewijs. In het echtscheidingsconvenant is slechts de draagplicht tussen partijen geregeld ten aanzien van belastingschulden over de jaren 2018 tot en met 2021. Daarin is niet overeengekomen wanneer [gedaagde] haar aandeel in die belastingschulden dient te voldoen. Daarover zouden partijen naderhand nog afspraken maken. Uit het echtscheidingsconvenant vloeit daarom geen betalingsverplichting voort. [gedaagde] betwist daarom dat ten aanzien van de vordering van € 84.134,00 een executoriale titel bestaat. Volgens [gedaagde] staat de exacte omvang van de aanslagen ook nog niet vast omdat er nog een bezwaarprocedure tegen de aanslagen loopt. Uit een e-mailbericht van [bedrijf 2] van 19 juni 2025 volgt volgens [gedaagde] dat de inspecteur van de Belastingdienst ook van mening is dat de navorderingsaanslag IB 2018 te hoog is vastgesteld. Bovendien is namens partijen bij de Belastingdienst verzocht om uitstel van betaling en heeft [eiser] zonder overleg met [gedaagde] desondanks ervoor gekozen om de aanslagen IB 2018 en en OB 2019 aan de Belastingdienst te betalen. Zij heeft verder betwist dat zij over een vermogen beschikt van € 480.000,00, omdat zij onder meer kosten voor de kinderen van partijen van circa € 100.000,00 heeft voldaan (aflossing studieschuld) en de nalatenschap van haar moeder een veel lager bedrag betrof.
De vorderingen van [eiser] moeten daarom worden afgewezen, aldus [gedaagde] .
[eiser] heeft zijn vorderingen gebaseerd op artikel 194 Rv. Dit artikel ziet echter op een buitengerechtelijk inzageverzoek. Als een wederpartij of een derde niet meewerkt aan een buitengerechtelijk inzageverzoek kan ingevolge het bepaalde in artikel 197 lid 1 Rv in spoedeisende gevallen het verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens aan de voorzieningenrechter worden gedaan. In dat geval gelden de criteria van artikel 196, lid 2 Rv. De rechter wijst het verzoek toe, tenzij hij van oordeel is dat: a. de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is, b. onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat, c. het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde, d. sprake is van misbruik van bevoegdheid, of e. andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting. De afwijzingscriteria vormen geen van elkaar afgescheiden criteria, maar lopen min of meer in elkaar over en kunnen om die reden naast elkaar van toepassing zijn.
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] komt erop neer dat artikel 197 Rv geen grondslag biedt tot het enkel doen van verhaalsonderzoek.
Het inzageverzoek op grond van artikel 197 lid 1 Rv betreft een voorlopige bewijsverrichting en de bankafschriften waarvan inzage wordt gevorderd heeft [eiser] niet nodig voor de vaststelling van een rechtsbetrekking. Op grond van artikel 5f van het echtscheidingsconvenant staat immers vast dat [gedaagde] draagplichtig is voor de helft van de belastingschuld over de jaren 2018 tot en met 2021. In het onderhavige geval gaat het [eiser] slechts om de vraag of [gedaagde] verhaal biedt om aan hem de helft van de belastingschuld te voldoen en daarvoor biedt artikel 197 lid 1 Rv, voorheen artikel 843a Rv, geen grondslag.
[eiser] heeft op de zitting de grondslag van zijn vordering nog aangevuld met de stelling dat hij aan de hand van de gevorderde inzage wil onderzoeken of [gedaagde] paulianeus heeft gehandeld en rechtshandelingen van [gedaagde] op grond van artikel 3:45 BW vernietigbaar zijn. [gedaagde] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Zij voert aan dat zij zich op deze nieuwe grondslag niet heeft kunnen voorbereiden en dat zij hierdoor wordt geschaad in haar verdediging. De voorzieningenrechter gaat voorbij aan deze nieuwe grondslag van de vordering wegens strijd met de goede procesorde. Bovendien heeft [eiser] zijn standpunt in deze slechts summier ter zitting onderbouwd en in combinatie met het voorgaande heeft het er alle schijn van dat het hier gaat om zogeheten ‘fishing expedition’.
De conclusie is dat artikel 197 lid 1 Rv jo 196 lid 2 Rv geen grondslag biedt voor toewijzing van de vordering.
Executoriale titel
Een schuldenaar is in beginsel verplicht een schuldeiser die een veroordeling tot betaling van een geldsom jegens hem verkreeg, inlichtingen omtrent zijn inkomens- en vermogenspositie en omtrent voor verhaal vatbare goederen te verschaffen (Hoge Raad 20 september 1991 (Tripels/Masson), ECLI:NL:HR:1991:ZC0338, r.o. 4.1.). [gedaagde] betwist dat sprake is van een executoriale titel ten aanzien van het door [eiser] gevorderde bedrag van € 84.134,00.
De voorzieningenrechter acht vooralsnog onvoldoende aannemelijk dat voor de vordering een executoriale titel bestaat. Weliswaar maakt het echtscheidingsconvenant deel uit van de echtscheidingsbeschikking, maar in artikel 5f van het convenant is slechts de onderlinge draagplicht tussen partijen ten aanzien van de fiscale vorderingen over de jaren 2018 tot en met 2021 geregeld. Tussen partijen is in geschil of betaling tussentijds dient te geschieden na elke naheffing of pas op het moment dat de totale omvang van de schuld over de jaren 2018 tot en met 2021 door de Belastingdienst is vastgesteld. Het antwoord op die vraag volgt niet uit het convenant. In dat verband weegt mee dat de bezwaarprocedure tegen de aanslagen IB over 2018 en OB over 2019 nog loopt. [eiser] heeft onvoldoende weersproken dat de aanslag IB over 2018 hoogst waarschijnlijk aanzienlijk lager zal uitvallen. Ook is niet weersproken dat [eiser] zonder overleg met [gedaagde] is overgegaan tot betaling van de aanslagen over 2018 en 2019 terwijl daarvoor namens partijen om uitstel van betaling is verzocht. Volgens [eiser] zullen de correcties over alle jaren (inclusief de jaren 2020 en 2021) het gevorderde bedrag van € 84.134,00 ruimschoots overschrijden maar dat is betwist door [gedaagde] en in het kader van dit kort geding niet vast te stellen. In zoverre is de betalingsverplichting van [gedaagde] , op grond van hetgeen in artikel 5f van het convenant is opgenomen, onvoldoende bepaald en nog niet voor executie vatbaar.
Daar komt bij dat, voor zover sprake zou zijn van een executoriale titel ten aanzien van het gevorderde bedrag, het wettelijk recht van de schuldeiser op informatie niet zover strekt dat de schuldenaar verplicht is om rekening en verantwoording af te leggen. De informatieplicht van de schuldenaar kan verder strekken naarmate er aanwijzingen zijn dat de schuldenaar vermogensbestanddelen heeft onttrokken aan verhaal (Gerechtshof Amsterdam 21 september 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BV0492). Dat [gedaagde] vermogensbestanddelen heeft onttrokken aan verhaal wordt door haar weersproken en kan daarom binnen het bestek van deze procedure niet worden vastgesteld. In artikel 475g Rv is de verplichting opgenomen van de schuldenaar om zijn bronnen van inkomsten op te geven en op grond van artikel 475aa Rv dient de schuldenaar verplicht op te geven welke bank geldmiddelen van hem onder zich heeft. De verplichting van artikel 475g Rv is beperkt tot het opgeven van bronnen van inkomsten (zie Hoge Raad 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1776, r.o. 3.3.). Op grond van het wettelijke stelsel is er slechts een beperkte kring van personen die van een schuldenaar rekening en verantwoording en overlegging van de boekhouding kan vergen. De bevoegdheden van een gewone schuldenaar gaan bijvoorbeeld niet zover als de bevoegdheden die een curator heeft op grond van artikel 105 Faillissementswet (Fw), die zijn gegeven ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers en onder toezicht van de rechter-commissaris zoals ook wenselijk moet worden geacht met het oog op de vraag of het afdwingen van die afgifte in redelijke verhouding staat tot het beoogde doel ( Hoge Raad 20 september 1991 (Tripels/Masson), ECLI:NL:HR:1991:ZC0338, r.o. 4.1.).
De slotsom
Het voorgaande leidt daarom tot afwijzing van de vordering. Daaraan ligt tevens ten grondslag dat in het licht van het voorgaande onvoldoende is gesteld om aan te nemen dat sprake is van onverwijlde spoed bij toewijzing van de vordering en een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Doorslaggevend daarvoor is dat de totale omvang van de belastingschuld nog niet bekend is en het enkele gegeven dat [eiser] vooruitlopend daarop wil weten of hij akkoord moet gaan met de door [gedaagde] aangeboden betalingsregeling nog geen spoedeisend belang oplevert.
De proceskosten
Aangezien partijen ex-echtgenoten zijn en hun geschil uit die relatie voortvloeit, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af,
compenseert de proceskosten, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2025. |
||
1780
© Copyright 2009 - 2025 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733