Essentie (redactie)
De vrouw voert aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de kosten van de kinderen die zij met haar huidige partner heeft, maar legt geen inkomensgegevens van hem over. Hof neemt daarom aan dat daarin volledig wordt voorzien. Kosten beugel niet behoefteverhogend. Hof rekent met helft van het woonforfait aan de zijde van de vrouw. Er is namelijk een tekort en zij deelt haar woonlasten met nieuwe partner.
Datum publicatie | 05-08-2025 |
Zaaknummer | 200.339.780/01 |
Procedure | Hoger beroep |
Zittingsplaats | Den Haag |
Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
Trefwoorden | Alimentatie; Samengestelde gezinnen: geen gegevens partner; Woonlasten bij kinderalimentatie (forfaitair) |
Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Art. 1:401, lid 1, en art. 1:402 BW. Kinderalimentatie. Wijziging van omstandigheden. Ingangsdatum; uitgangspunt het moment waarop twee van de drie kinderen volledig bij de man verblijven. Terugbetalingsverplichting. Behoeftigheid oudste – ten tijde van hofprocedure – meerderjarige kind. Geen sprake van substantiële inkomsten die de behoefte van de jongmeerderjarige verminderen. Helft forfaitaire woonlast in aanmerking genomen vanwege tekort aan draagkracht en omstandigheid dat woonlasten kunnen worden gedeeld met nieuwe partner. Advocaatkosten niet in aanmerking genomen omdat vrouw in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand. Bij gebreke van inzage in inkomen nieuwe partner, wordt de nieuwe partner geacht volledig te voorzien in behoefte van diens kinderen met de vrouw. Zorgkorting.Volledige uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.339.780/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 23-5488
zaaknummer rechtbank : C/09/651505
beschikking van de meervoudige kamer van 14 mei 2025
inzake
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. R. van Venetiën te Alphen aan den Rijn,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats]
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. J.L.J. Kapteijn te Alphen aan den Rijn.
Als belanghebbende is aangemerkt de jongmeerderjarige:
[jongmeerderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [jongmeerderjarige] .
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 19 december 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna te noemen: de bestreden beschikking).
2Het geding in hoger beroep
De vrouw is op 18 maart 2024 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De man heeft op 16 juli 2024 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
De vrouw heeft op 18 oktober 2024 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 10 mei 2024, met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 16 mei 2024, met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 14 maart 2025, met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de man van 17 maart 2025, met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.
Het hof heeft op 13 januari 2025 een e-mailbericht van de advocaat van de man ontvangen, waarin zij te kennen geeft dat de man vanaf de meerderjarigheid van [jongmeerderjarige] ook [jongmeerderjarige] in de procedure in hoger beroep vertegenwoordigt.
De minderjarige [minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek. Zij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
De mondelinge behandeling heeft op 27 maart 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
De advocaat van de vrouw en de advocaat van de man hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.
3De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
De man en de vrouw zijn gehuwd geweest van 15 september 2006 tot 26 juli 2013.
Zij zijn de ouders van:
- [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] (hierna: [jongmeerderjarige] );
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 1] ), en;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2010 (hierna: [minderjarige 2] ),
hierna gezamenlijk: de kinderen.
[jongmeerderjarige] heeft zijn hoofverblijfplaats bij de man en [minderjarige 1] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw. Sinds de bestreden beschikking heeft [minderjarige 2] ook zijn hoofdverblijfplaats bij de man.
De ouders hebben het gezamenlijk gezag over de kinderen.
De vrouw heeft met haar huidige partner, [partner van de vrouw] , nog twee kinderen:
- [minderjarige 3] geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] .
Bij beschikking van 10 juli 2013 van de rechtbank Den Haag is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Verder is bepaald dat het door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking.
In het echtscheidingsconvenant is – voor zover thans van belang – opgenomen:
“ Artikel 1. Kinderen
Partijen hebben als ouders van hun kinderen afspraken vastgelegd in een ouderschapsplan, dat als bijlage 1 aan dit convenant wordt gehecht en daarvan onlosmakelijk deel uit maakt.
Met betrekking tot de kosten van de kinderen zijn partijen het volgende overeengekomen.
Partijen hebben de kosten van de kinderen op € 500,00 per maand per kind vastgesteld.
Gelet op het feit dat partijen een co-ouderschapsregeling zijn overeengekomen, hebben zij het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen bepaald op € 581,00 per maand per kind (een bijtelling van 16% als extra woonlast).
Uit de onderlinge draagkrachtverhouding ten tijde van het ondertekenen van het echtscheidingsconvenant blijkt een verhouding van 3 (de man) : 1 (de vrouw).
Op basis van de uitgevoerde berekeningen in de rekenmodule co-ouderschap zal de man vanaf 1 juni 2013 maandelijks bij vooruitbetaling een bijdrage voor de twee kinderen die bij de vrouw staan ingeschreven, van € 393,50 per kind betalen. De vrouw zal aan de man voor het op zijn adres ingeschreven staande kind € 136,00 per maand betalen. Deze bijdragen zullen zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in art. 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2014.”
4De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 10 juli 2013, met daarin opgenomen het tussen partijen overeengekomen echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan:
- de door de vrouw aan de man met ingang van 1 januari 2023 te betalen bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging (hierna: kinderalimentatie) voor [jongmeerderjarige] op € 143,- per maand bepaald;
- de door de vrouw aan de man met ingang van 1 januari 2023 te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige 2] op € 82,- per maand bepaald;
- bepaald dat de vrouw de vanaf 1 januari 2023 onverschuldigd aan kinderalimentatie ontvangen bedragen aan de man dient terug te betalen;
- de door de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2023 te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige 1] op € 281,- per maand bepaald.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De vrouw verzoekt het hof, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover daar grieven tegen zijn ingediend en gegrond zijn verklaard, en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man aan de vrouw ten behoeve van [minderjarige 1] een kinderalimentatie van € 492,- per maand en ten behoeve van [minderjarige 2] een kinderalimentatie van € 134,- per maand dient te voldoen, althans een bijdrage die het hof juist acht, met ingang van de datum van de beschikking van het hof althans met ingang van de datum van indiening van het inleidende verzoekschrift.
De man verzoekt het hof de grieven van de vrouw ongegrond te verklaren en te verwerpen. In incidenteel appel verzoekt de man het hof, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover daartegen grieven zijn ingediend en gegrond verklaard, en opnieuw rechtdoende:
I. In de berekening uit te gaan van een zorgkorting voor [minderjarige 2] ter hoogte van 5% in plaats van de eerder meegenomen zorgkorting van 15%;
II. In de draagkrachtberekening van de vrouw niet uit te gaan van een inkomen van € 20.225,- bruto per jaar, maar uit te gaan van een jaarinkomen van € 32.712,-;
II. De vrouw primair te veroordelen om de inkomensgegevens en aangiften en aanslagen inkomstenbelasting over de periode 2023 en 2024 van [partner van de vrouw] over te leggen en subsidiair een fictief inkomen van [partner van de vrouw] mee te nemen in de draagkrachtberekening zijdens de vrouw ter hoogte van € 200.000,-;
III. De behoefte van [minderjarige 2] te verhogen met ingang van 1 januari 2025 conform de door de man in het geding gebrachte berekening, waarbij de behoefte komt op een bedrag van € 533,- per maand.
5De motivering van de beslissing
Kinderalimentatie
Wijziging van omstandigheden
Ingevolge artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
In hoger beroep staat niet ter discussie dat er sprake is van verschillende wijzigingen van omstandigheden. [minderjarige 2] woont niet meer bij de vrouw maar bij de man, de zorgregeling tussen de man en [minderjarige 1] is gewijzigd en de vrouw heeft met haar nieuwe partner nadien twee kinderen gekregen. Deze omstandigheden rechtvaardigen een herbeoordeling van de kinderalimentatie.
Ingangsdatum en terugbetalingsverplichting
In geschil is de ingangsdatum voor de wijziging van de kinderalimentatie. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de ingangsdatum bepaald op 1 januari 2023, omdat [jongmeerderjarige] sinds oktober 2022 en [minderjarige 2] sinds 28 januari 2023 volledig bij de man verblijven en de vrouw sindsdien geen verblijfkosten meer voor [jongmeerderjarige] en nauwelijks meer verblijfkosten voor [minderjarige 2] heeft gehad.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte de ingangsdatum op 1 januari 2023 heeft bepaald en ten onrechte heeft beslist dat de vrouw de vanaf 1 januari 2023 onverschuldigd aan kinderalimentatie ontvangen bedragen aan de man dient terug te betalen. De vrouw stelt dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende verplichting met terugwerkende kracht in redelijkheid kan worden aanvaard. De vrouw stelt dat zij de door haar ontvangen onderhoudsbijdragen daadwerkelijk aan de kinderen heeft besteed. Door de terugbetalingsverplichting van de onverschuldigd aan kinderalimentatie ontvangen bedragen vanaf 1 januari 2023 is de vrouw geconfronteerd met een aanzienlijke terugbetalingsverplichting.
De man stelt dat het onjuist is dat de vrouw de door haar ontvangen kinderalimentatie daadwerkelijk ten behoeve van de kinderen heeft besteed en stelt verder dat de vrouw al lange tijd rekening heeft kunnen houden met een wijziging omdat [jongmeerderjarige] en [minderjarige 2] niet meer, dan wel minder bij de vrouw verblijven.
Het hof overweegt als volgt. Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden de ingangsdatum op 1 januari 2023 heeft bepaald. Het hof neemt deze gronden over en maakt die, na een eigen afweging, tot de zijne. In hoger beroep is niet gebleken van feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel leiden. Het hof voegt hier het volgende aan toe.
De vrouw heeft naar het oordeel van het hof niet onderbouwd dat zij de onverschuldigd ontvangen kinderalimentatie daadwerkelijk ten behoeve van de kinderen heeft besteed, noch onderbouwd dat zij niet in staat is om de te veel ontvangen kinderalimentatie terug te betalen. Immers in hoger beroep is komen vast te staan dat de vrouw met de deurwaarder een betalingsregeling is overeengekomen en dat zij inmiddels de helft van de onverschuldigd ontvangen kinderalimentatie heeft terugbetaald.
Behoefte [jongmeerderjarige] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [jongmeerderjarige] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 500,- per maand bedraagt in 2013. Geïndexeerd naar 2023 bedraagt de behoefte van [jongmeerderjarige] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 606,- per maand.
In geschil is of de behoefte van [minderjarige 2] vanaf 1 januari 2025, dient te worden verhoogd met een bedrag van € 100,- per maand in verband met niet vergoede orthodontiekosten. De man voert daartoe aan dat de vrouw bij de man heeft aangegeven dat zij de aanvullende verzekering voor [minderjarige 2] per 1 januari 2025 zou opzeggen. De man zal dan geconfronteerd worden met forse kosten voor de beugel van [minderjarige 2] die niet langer vergoed worden door de aanvullende verzekering.
Het hof overweegt als volgt. Verhoging van de tabelbedragen is volgens de Expertgroep Alimentatienormen slechts mogelijk indien sprake is van extra kosten die zo uitzonderlijk zijn dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel. De tabellen zijn vastgesteld op basis van forfaitaire bedragen en in het algemeen geldt als uitgangspunt dat hoge kosten op een bepaald onderdeel in de kosten van de kinderen een lagere besteding in de overige kosten met zich brengt en dus geen verhoging van de behoefte tot gevolg heeft.
Het hof neemt allereerst in aanmerking dat de vrouw ter zitting heeft verklaard dat zij de aanvullende verzekering voor [minderjarige 2] niet heeft opgezegd, zodat het hof ervan uit gaat dat [minderjarige 2] nog aanvullend verzekerd is. Voorts stelt het hof vast dat thans onvoldoende duidelijk is hoe hoog de kosten van de beugel van [minderjarige 2] precies zullen zijn en hoe lang de behandeling nog zal voortduren. Naar het oordeel van het hof zijn de thans door de man geschatte kosten voor orthodontie te beschouwen als reguliere en gebruikelijke kosten behorend bij de opvoeding en verzorging van een kind. Deze kosten kunnen worden geacht te zijn begrepen in het conform de tabel vastgestelde aandeel in de kosten van de kinderen en zijn dan ook in voldoende mate verdisconteerd in de behoefte. De door de man gestelde orthodontiekosten zijn dan ook gelet op de aard en de omvang niet behoefte verhogend.
Behoefte/behoeftigheid [jongmeerderjarige] vanaf zijn meerderjarigheid
In geschil is de behoefte van de [jongmeerderjarige] vanaf zijn meerderjarigheid, derhalve vanaf 4 februari 2025. De vrouw stelt zich op het standpunt dat [jongmeerderjarige] eigen inkomsten heeft die invloed hebben op zijn behoeftigheid. Door de man en [jongmeerderjarige] is verweer gevoerd.
Het hof overweegt als volgt. Volgens de door de Expertgroep Alimentatie geformuleerde alimentatienormen kunnen substantiële en structurele eigen inkomsten van een jongmeerderjarige de behoefte verlagen.
Het inkomen van [jongmeerderjarige] dat de vrouw bij productie 15 bij haar brief van 14 maart 2025 benoemt, betreft onder andere zakgeld en schenkingen van zijn grootouders. Deze bedragen merkt het hof niet aan als eigen inkomen van [jongmeerderjarige] . Voorts overweegt het hof dat [jongmeerderjarige] ter zitting heeft verklaard dat hij een mbo-opleiding volgt en dat hij na afronding daarvan een hbo-opleiding wil volgen. Naast zijn studie heeft hij een bijbaantje bij New York Pizza, waar hij pizza’s maakt of bezorgt. Met dit bijbaantje verdient hij een wisselend inkomen als gevolg van wisselende werktijden. [jongmeerderjarige] is voor wat betreft zijn beschikbaarheid afhankelijk van zijn studie en zijn werkgever. Het inkomen dat [jongmeerderjarige] verdient betreft ongeveer bruto € 200,- per maand.
Het hof overweegt dat op een jongmeerderjarige geen verplichting rust om zijn of haar verdiencapaciteit te benutten en ook niet de verplichting om (bestaande) mogelijkheden uit te breiden en zo door middel van een (bij-)baantje een eigen inkomen te verwerven. Dat betekent niet dat eigen inkomsten van een jongmeerderjarige geen invloed zouden kunnen hebben op de alimentatie. Deze inkomsten kunnen immers van belang zijn voor de omvang van de behoefte van een jongmeerderjarige aan een onderhoudsbijdrage. Hierbij wordt in de rechtspraak in redelijkheid bezien of en in hoeverre de genoten inkomsten in aanmerking worden genomen. Daarbij worden niet substantiële verdiensten buiten beschouwing gelaten. Het hof is van oordeel dat de eigen inkomsten van [jongmeerderjarige] uit zijn bijbaantje niet hoger zijn dan een gemiddeld bedrag aan zakgeld per maand en dat dit bedrag dan ook in redelijkheid buiten beschouwing moet worden gelaten voor de vaststelling van de behoefte. Dit brengt mee dat de behoefte van [jongmeerderjarige] (van € 606 per maand in 2023) niet lager wordt vastgesteld.
Draagkracht van de man
In geschil is het inkomen van de man.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte uitgegaan is van één salarisspecificatie van de man van september 2023. De rechtbank heeft het bruto inkomen van de man berekend op € 78.079,- in 2023. De rechtbank heeft het NBI van de man berekend op € 4.524,- per maand en zijn draagkracht op € 1.394,- per maand in 2023. De vrouw stelt dat het op de weg van de man had gelegen om meer inzicht in zijn financiële situatie te geven. De vrouw stelt dat het inkomen van de man velen malen hoger had moeten worden geschat.
De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank uitgegaan is van de juiste inkomensgegevens.
Het hof overweegt als volgt. Uit de door de man in hoger beroep overgelegde salarisspecificatie van december 2024 volgt het bruto jaarloon van de man in 2023. De man ontving in 2023 een bruto jaarinkomen van € 81.750,-. Het hof berekent op basis hiervan het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man op € 4.716,- per maand in 2023.
Op basis van de draagkrachttabel 2023 bij het rapport Alimentatienormen 2023 heeft de man met dit NBI een draagkracht van € 1.488,- per maand (70% (4.716 – (0,3 x 4.716 + 1.175).
Draagkracht van de vrouw
Voorts is de draagkracht van de vrouw in geschil.
De man stelt zich op het standpunt dat het inkomen van de vrouw hoger ligt dan waar de rechtbank mee gerekend heeft. De rechtbank is bij het bepalen van de draagkracht van de vrouw uitgegaan van een bruto jaarinkomen van € 29.227,- in 2023. De rechtbank heeft haar NBI berekend op € 2.318,- per maand en haar draagkracht op € 556,- per maand in 2023.
Het hof overweegt als volgt. Uit de door de vrouw in hoger beroep overgelegde jaaropgave 2023 van het UWV blijkt dat de vrouw in 2023 een WIA-uitkering ter hoogte van € 16.451,- heeft ontvangen. Daarnaast heeft de vrouw - blijkens de jaaropgave 2023 van het [werkgever] - in 2023 een bruto inkomen uit arbeid van € 13.228,- genoten.
Het hof heeft het NBI van de vrouw berekend op € 2.370,- per maand in 2023.
Woonlasten
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vrouw samenwoont waardoor haar woonlasten duurzaam aanmerkelijk lager zijn. De man stelt dat de vrouw wel degelijk samenwoont en haar woonlasten kan delen met haar nieuwe partner.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden bij het vaststellen van de draagkracht van de vrouw rekening heeft gehouden met de helft van het woonforfait. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze, na een eigen afweging, tot de zijne. In hoger beroep is niet gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot een ander oordeel. Het hof voegt hier het volgende aan toe.
Het hof overweegt dat wanneer de (gezamenlijke) draagkracht van de ouders niet toereikend is om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder (in dit geval de vrouw) aanmerkelijk en duurzaam lager zijn dan het forfaitaire bedrag, de rechter zal moeten nagaan of een berekening van de draagkracht op basis van de werkelijke woonlasten leidt tot een hogere onderhoudsbijdrage (Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586). Nu er in beginsel sprake is van een tekort aan draagkracht bij partijen in de situatie dat aan de zijde van de vrouw met een forfait van 30% wordt gerekend bij de bepaling van haar woonlast, ziet het hof – net als de rechtbank – aanleiding om af te wijken van het forfaitaire systeem. Naar het oordeel van het hof heeft de man de stelling dat de vrouw samenwoont met haar partner [partner van de vrouw] voldoende met stukken onderbouwd en aannemelijk gemaakt. Het feit dat [partner van de vrouw] formeel niet staat ingeschreven op het woonadres van de vrouw noch het door de gemeente te dien aanzien uitgevoerde adresonderzoek geeft aanleiding tot een ander oordeel.
Op basis van de draagkrachtformule bedraagt de forfaitaire woonlast € 711,- per maand. Het hof neemt de helft daarvan, zijnde een bedrag van € 367,- per maand in aanmerking bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw.
Schulden
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte geen rekening gehouden heeft met de schuld bij haar advocaat met een aflossingsverplichting van minimaal € 300,- per maand. De man voert verweer.
Het hof overweegt als volgt. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden bij het vaststellen van de draagkracht van de vrouw geen rekening heeft gehouden met de schuld aan haar advocaat. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze, na een eigen afweging, tot de zijne. In hoger beroep is niet gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot een ander oordeel. Het hof voegt hier het volgende aan toe.
De man heeft onbetwist gesteld dat de vrouw, gelet op haar inkomen, in aanmerking komt voor de door de overheid gefinancierde rechtsbijstand. Uiteraard staat het de vrouw vrij om hier geen gebruik van te maken, maar de financiële consequentie van die keuze strekt naar het oordeel van het hof in dat geval niet ten laste van de kinderalimentatie.
Met toepassing van de formule berekent het hof de draagkracht van de vrouw op € 580,- per maand (70% (2.370 -/- (367 + 1.175).
Verdeling draagkracht van de vrouw
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte bij het verdelen van haar draagkracht geen rekening gehouden heeft met haar twee kinderen met [partner van de vrouw] . De man stelt dat de vrouw inzage had moeten geven in het inkomen van [partner van de vrouw] .
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat de draagkracht van de vrouw in dit geval verdeeld moet worden over de drie kinderen ( [jongmeerderjarige] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ). Het hof neemt deze gronden over en maakt deze, na een eigen afweging, tot de zijne. In hoger beroep is niet gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot een ander oordeel. Het hof voegt hier het volgende aan toe.
In hoger beroep heeft de vrouw evenmin inzage gegeven in de inkomensgegevens van [partner van de vrouw] . De vrouw heeft gesteld dat [partner van de vrouw] tenminste de helft bijdraagt in de behoefte van hun twee kinderen. Nu het hof geen inzage heeft in het inkomen van [partner van de vrouw] en de financiële situatie in het gezin van de vrouw, gaat het hof er vanuit dat [partner van de vrouw] volledig in de behoefte van de twee kinderen met de vrouw kan voorzien. Het hof zal daarom net als de rechtbank de draagkracht van de vrouw verdelen over de drie kinderen ( [jongmeerderjarige] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ).
De beschikbare draagkracht van de man en de vrouw voor de kinderen bedraagt in totaal € 2.068,- per maand (€ 1.488 + € 580). Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen van in totaal € 1.818,- per maand te voorzien.
Na vergelijking van de draagkracht van de man conform de formule ‘draagkracht gedeeld door totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte’, dient de man van zijn draagkracht afgerond € 1.308,- per maand (1.488/2.068 x 1.818) aan te wenden voor een bijdrage in de kosten van de kinderen.
Na vergelijking van de draagkracht van de vrouw conform de formule ‘draagkracht gedeeld door totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte’, dient de vrouw van haar draagkracht afgerond € 510,- per maand (580/2.068 x 1.818) aan te wenden voor een bijdrage in de kosten van de kinderen.
Toepassing zorgkorting [jongmeerderjarige] en [minderjarige 2]
Partijen zijn verdeeld over de toe te passen zorgkorting voor [jongmeerderjarige] en [minderjarige 2] .
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte rekening heeft gehouden met een zorgkorting voor [minderjarige 2] van 15%. Volgens de vrouw verblijft [minderjarige 2] gemiddeld twee dagen per week bij haar en hoort daar een zorgkorting van 25% bij.
De man stelt dat [minderjarige 2] nooit bij de vrouw komt en dat er rekening gehouden moet worden met een zorgkorting van 5%. De man is verder van mening dat er voor [jongmeerderjarige] geen zorgkorting van toepassing is, omdat hij niet bij de vrouw komt.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden rekening heeft gehouden met een zorgkorting van 15% voor [minderjarige 2] en 5% voor [jongmeerderjarige] . Het hof neemt deze gronden over en maakt deze, na een eigen afweging, tot de zijne. In hoger beroep is niet gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot een ander oordeel. Het hof voegt hier het volgende aan toe.
Net als de rechtbank acht het hof het van belang dat het contact tussen [minderjarige 2] , [jongmeerderjarige] en de vrouw hersteld gaat worden. Inmiddels zijn er vanuit de Jeugdbescherming, zoals ter zitting door partijen verklaard, doelen gesteld om het contactherstel tussen de vrouw en [minderjarige 2] te realiseren. Het hof gaat er vanuit dat partijen samen met de Jeugdbescherming zullen werken aan deze doelen.
De zorgkorting komt voor [minderjarige 2] – op basis van zijn behoefte van € 606,- per maand – neer op een bedrag van afgerond € 91,- per maand. Het aandeel van de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] bedraagt daarmee afgerond € 79,- per maand (€ 170,- per maand minus € 91,- per maand).
De zorgkorting komt voor [jongmeerderjarige] – op basis van zijn behoefte van € 606,- per maand – neer op een bedrag van afgerond € 30,- per maand. Het aandeel van de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige] bedraagt daarmee afgerond € 140,- per maand (€ 170,- per maand minus € 30,- per maand).
Toepassing zorgkorting [minderjarige 1]
De zorgkorting van 25% voor [minderjarige 1] is tussen partijen niet in geschil.
De zorgkorting komt voor [minderjarige 1] – op basis van de behoefte van de minderjarige van € 606,- per maand – neer op een bedrag van afgerond € 152,- per maand. Het aandeel van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] bedraagt daarmee afgerond € 284,- per maand (€ 436,- per maand minus € 152,- per maand).
Conclusie
Gelet op het voorgaande, zal het hof de bestreden beschikking voor zover die ziet op de kinderalimentatie vernietigen en, in zoverre opnieuw beschikkende bepalen:
- de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige] met ingang van 1 januari 2023 op € 140,- per maand, geïndexeerd naar 2024 op € 149,- per maand en geïndexeerd naar 2025 op € 158,- per maand. Met ingang van [geboortedatum] 2025 is de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige] van rechtswege geconverteerd in een bedrag ter zake levensonderhoud en studie ten behoeve van [jongmeerderjarige] en dient de vrouw deze rechtstreeks aan [jongmeerderjarige] te voldoen;
- de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] met ingang van 1 januari 2023 op € 79,- per maand, geïndexeerd naar 2024 op € 84,- per maand en geïndexeerd naar 2025 op € 89,- per maand;
- de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] met ingang van 1 januari 2023 op € 284,- per maand, geïndexeerd naar 2024 op € 302,- per maand en geïndexeerd naar 2025 op € 321,- per maand.
Terugbetalingsverplichting
Volgens vaste rechtspraak geldt dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, dient te beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard.
Zoals overwogen onder rechtsoverweging 5.7 en 5.8 van deze beschikking, acht het hof het redelijk dat de vrouw het door de man te veel betaalde bedrag aan kinderalimentatie aan hem terugbetaalt, voor zover zij dat nog niet heeft gedaan.
Aanhechten berekeningen
Het hof heeft in het kader van de kinderalimentatie berekeningen opgesteld. Deze berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht.
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover die ziet op de kinderalimentatie en, in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 10 juli 2013, met daarin opgenomen het tussen partijen overeengekomen echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan:
- de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige] met ingang van 1 januari 2023 op € 140,- per maand, geïndexeerd naar 2024 op € 149,- per maand en geïndexeerd naar 2025 op € 158,- per maand en bepaalt dat deze bijdrage met ingang van [geboortedatum] 2025 door de vrouw aan [jongmeerderjarige] dient te worden betaald als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud en studie;
- de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] met ingang van 1 januari 2023 op € 79,- per maand, geïndexeerd naar 2024 op € 84,- per maand en geïndexeerd naar 2025 op € 89,- per maand;
- de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] met ingang van 1 januari 2023 op € 284,- per maand, geïndexeerd naar 2024 op € 302,- per maand en geïndexeerd naar 2025 op € 321,- per maand;
bepaalt dat de vrouw de vanaf 1 januari 2023 onverschuldigd aan kinderalimentatie ontvangen bedragen aan de man dient terug te betalen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I. Reijngoud, mr. L. Koper en Z. Gademan, bijgestaan door mr. F. Spieker als griffier en is op 14 mei 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
© Copyright 2009 - 2025 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733