Rechtbank Den Haag 20-09-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:10458

Datum publicatie24-09-2021
ZaaknummerC/09/615915 / KG RK 21-940
ProcedureWraking
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenFamilieprocesrecht; Wraking / verschoning;
Kinderen; Zorgregeling / omgang / informatie
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek toegewezen. De rechter heeft er geen blijk van gegeven het standpunt van verzoeker over de intrinsieke wens van het kind te hebben meegewogen en heeft partijen hierover ook geen vragen gesteld, dit blijkt althans niet uit het proces-verbaal. De wrakingskamer overweegt dat in ieder geval de indruk is gewekt dat de rechter voorbij is gegaan aan het standpunt van verzoeker en dat de rechter zich al een oordeel heeft gevormd over wat de daadwerkelijke wens van het kind is.

Volledige uitspraak


Rechtbank den haag

Wrakingskamer

wrakingnummer 2021/56

zaak-/rekestnummer: C/09/615915 KG RK 21-940

Beslissing van 20 september 2021

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van:

[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
hierna: verzoeker,
advocaat: mr. C.H. Remmelink,

strekkende tot de wraking van:

mr. G. van Zeben-de Vries,

rechter in deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechter.

Belanghebbende in deze procedure is verweerder in hoofdzaak, [belanghebbende] , advocaat: mr. R. van Venetiën.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van de zitting van 3 augustus 2021;

- het schriftelijke wrakingsverzoek van 18 augustus 2021;

- de schriftelijke reactie van de rechter van 26 augustus 2021.

1.2.

De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden op 6 september 2021. Daarbij is verzoeker verschenen, vergezeld door mr. Remmelink. De rechter heeft vooraf laten weten niet te zullen verschijnen.

2Het wrakingsverzoek

2.1.

Verzoeker is de vader van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] , en belanghebbende is de moeder van [minderjarige] (hierna: de moeder). Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer C/09/615057 / FA RK 21-4736 tussen verzoeker en de moeder, waarin de zorgregeling met hun [minderjarige] aan de orde is.

2.2.

Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek, verkort weergegeven en zoals de rechtbank begrijpt, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd:

1. Bij aanvang van de zitting heeft de rechter al aangegeven achter het standpunt van de moeder te staan.

2. De rechter sprak op zitting uit de wens van het kind te volgen, nog voordat zij het standpunt van verzoeker daarin heeft betrokken. De rechter heeft daarmee bewijzen die verzoeker naar voren heeft gebracht over de wensen van [minderjarige] terzijde geschoven. De rechter baseert zich daarbij alleen op de wens blijkend uit het kindgesprek voorafgaand aan de zitting, terwijl verzoeker al in het verzoekschrift stukken had bijgevoegd waaruit blijkt dat [minderjarige] tegen hem anders had verklaard.

3. De rechter beoordeelt het karakter van verzoeker op manipulatieve suggesties van de moeder.

4. De rechter gaat voorbij aan het standpunt van verzoeker dat hij zijn vaderrol niet kan vervullen als [minderjarige] alleen 26 weekenden per jaar bij hem is.

5. Ten slotte gaat de rechter voorbij aan de financiële wensen die de grondslag zijn geweest voor het verzoek van de moeder.

2.3.

Verzoeker heeft tijdens de mondelinge behandeling van de wraking aangegeven dat de rechter volgens hem gelet op al het bovenstaande een partijdig pad gevolgd heeft waarbij hij met name punt 2 uitgebreid heeft toegelicht.

2.4.

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft gemotiveerd op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3De beoordeling

3.1.

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.

3.2.

In de zaak tussen verzoeker en de moeder is de zorgregeling in geschil. Er geldt op grond van het tussen de ouders overeengekomen ouderschapsplan een co-ouderschapsregeling waarbij [minderjarige] (ongeveer) even veel tijd bij verzoeker als de moeder doorbrengt. Door verschillende omstandigheden is de zorgregeling op dit moment feitelijk zo dat [minderjarige] met name bij de moeder en alleen in de weekenden (al dan niet eens in de twee weken) bij verzoeker verblijft. De insteek van de procedure in de hoofdzaak is voor verzoeker dat de co-ouderschapsregeling uit het ouderschapsplan weer gaat gelden. Gelet op de leeftijd van [minderjarige] heeft de rechter voorafgaand aan de zitting een gesprek gevoerd met [minderjarige] . In dat gesprek heeft [minderjarige] aan de rechter medegedeeld dat zij de zorgregeling graag wil houden zoals deze nu feitelijk is.

3.3.

De kern van het wrakingsverzoek is dat wat [minderjarige] in het kindgesprek naar voren heeft gebracht, door de rechter als de intrinsieke wens/het echte standpunt van [minderjarige] lijkt te zijn aangenomen, terwijl verzoeker in het verzoekschrift en ook tijdens de mondelinge behandeling nadrukkelijk het standpunt heeft ingenomen dat [minderjarige] door moeder wordt gemanipuleerd en dat haar dingen worden ingefluisterd, zodat op basis van de uitspraken die [minderjarige] doet niet zonder meer kan worden geconcludeerd wat haar daadwerkelijke wens of standpunt is. Verzoeker heeft aangegeven dat hij ter onderbouwing van deze gestelde invloed door moeder op de uitspraken van [minderjarige] een uitdraai van Whatsapp berichten bij het verzoekschrift heeft overgelegd. Uit het proces-verbaal van de zitting van 3 augustus 2021 blijkt dat verzoeker ook tijdens de zitting herhaaldelijk heeft benoemd dat hetgeen dochter in het kindgesprek zou hebben gezegd niet haar daadwerkelijke wens zou zijn.

3.4.

De wrakingskamer stelt op grond van het proces-verbaal van de zitting van 3 augustus 2021 vast dat de rechter aan het begin van de zitting heeft samengevat wat [minderjarige] in het kindgesprek heeft gezegd, namelijk dat zij een zorgregeling met verzoeker zou willen van een weekend per veertien dagen. De rechter zegt onder meer: “Ze kwam erachter dat ze het rustiger vond om langer op één adres te zijn. Zo vertelde ze dat mij en zo staat het in de stukken.” Daarna heeft de rechter, naar aanleiding van vragen van verzoeker, aangegeven “Ik heb u het standpunt van [minderjarige] weergegeven. […] Het is een eerste indruk en ik ben transparant […] ”. Later tijdens de zitting benoemt de rechter dat de voorkeur van [minderjarige] belangrijk is (bij het nemen van een beslissing) en doorgaans wordt gevolgd. Uit het verdere verloop van de zitting en de vraagstelling daarna, die voornamelijk gaat over de situatie waarbij een weekendregeling zou gelden tussen verzoeker en [minderjarige] , lijkt te volgen dat de rechter er vanuit gaat dat de door [minderjarige] bij de rechter uitgesproken wens - een zorgregeling van eens in de twee weken en niet een co-ouderschap - de intrinsieke wens is van [minderjarige] . In het proces-verbaal is niet te lezen dat de rechter op enig moment tijdens de zitting in overweging neemt hetgeen verzoeker in het verzoekschrift maar ook tijdens de zitting naar voren brengt, te weten dat de intrinsieke wens van [minderjarige] helemaal niet overeenstemt met wat zij in het kindgesprek aan de rechter heeft verteld. Omdat dit in het verzoekschrift en ook tijdens de zitting wel door verzoeker als standpunt is ingenomen, is dit iets waarover de rechter in beginsel pas kan oordelen nadat alle standpunten daarover door alle belanghebbenden zijn ingenomen en toegelicht. De rechter heeft er geen blijk van gegeven het standpunt van verzoeker hierover te hebben meegewogen en heeft partijen hierover ook geen vragen gesteld, dit blijkt althans niet uit het proces-verbaal.

3.5.

De wrakingskamer overweegt dat hiermee in ieder geval de indruk is gewekt dat de rechter voorbij is gegaan aan het standpunt van verzoeker en dat de rechter zich al een oordeel heeft gevormd over wat de daadwerkelijke wens van [minderjarige] is. Dit klemt te meer nu de rechter daarnaast ook aan verzoeker heeft laten blijken dat de voorkeur van een kind met de leeftijd van [minderjarige] doorgaans zwaar telt. Ondanks dat de rechter nog geen beslissing heeft genomen, is door bovenstaande gang van zaken naar het oordeel van de wrakingskamer wel een zwaarwegende aanwijzing voor (objectief gerechtvaardigde) schijn van vooringenomenheid ontstaan. Het verzoek zal om die reden worden toegewezen.

4De beslissing

De wrakingskamer

4.1.

wijst het verzoek tot wraking toe;

4.2.

bepaalt dat het geschorste onderzoek ter zitting in de hoofdzaak met ingang van heden opnieuw een aanvang neemt en schorst dit onderzoek totdat het onderzoek door een andere rechter in deze rechtbank, belast met de behandeling van familiezaken, zal zijn hervat;

4.3.

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde in artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:

• de verzoeker p/a zijn advocaat mr. C.M. Remmelink;

• verweerder in de hoofdzaak;

• de rechter.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C. Sluymer, M.P.M. Loos en S.M. Westerhuis-Evers in tegenwoordigheid van de griffier mr. N. Roelands en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2021.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.



© Copyright 2009 - 2024 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733