Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-04-2019, ECLI:NL:GHARL:2019:3475

Datum publicatie10-09-2019
Zaaknummer200.253.407/02
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsArnhem
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet; Ondertoezichtstelling 1:254 e.v. BW; Uithuisplaatsing 1:265a e.v. BW; Privacy in de jeugdhulp;
Kinderen; Bijz. curator bij belangenstrijd (art. 1:250 BW);
Familieprocesrecht; Vovo (analoog aan) art. 223 Rv; Executiegeschil / verz. schorsing uitv. bij voorr.
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie

Jeugdbeschermer maakt bezwaar tegen door moeder als bijlage overgelegde opname en uitwerking van gesprek met jeugdbeschermer bij moeder in huiskamer. Zij wist niet van maken van opnamen. Betreft ook vertrouwelijk gesprek met [kind] toen de anderen, o.m. moeder, de kamer hadden verlaten. Hof: productie buiten beschouwing. Gelet op art. 139a (strafbaar stellen stiekem afluisteren) en 139e onder 3 (strafbaar stellen van het aan anderen geven hiervan): onrechtmatig verkregen bewijs. Moeder en advocaat hebben ism wet gehandeld.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof:

200.253.407/02 (schorsing),

200.253.407/03 (voorlopige voorziening verzoek moeder),

200.253.407/04 (voorlopige voorziening verzoek GI) en

200.253.474 (benoeming bijzondere curator)

(zaaknummer rechtbank Gelderland: 344804)

beschikking van 18 april 2019 op de verzoeken voorlopige voorziening, het verzoek tot schorsing en het verzoek tot benoeming bijzondere curator

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster, verder te noemen: de moeder,

verweerster in de zaak met nummer 200.253.407/04

advocaat: mr. H.C.D. Bos te Arnhem,

en

raad voor de kinderbescherming,

gevestigd te Arnhem,

verder te noemen: de raad,

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Gelderland,

gevestigd te Arnhem,

verder te noemen: de GI,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder, verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.L.J. Wekking te Apeldoorn.

1Het geding in de hoofdzaak in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in de hoofdzaak in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 27 november 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook te noemen ‘de bestreden beschikking’.

2De procedure

2.1

Het verloop van alle procedures tezamen blijkt uit:

  • het verzoekschrift (hoger beroep, schorsing, voorlopige voorziening en bijzondere curator) van de moeder met producties 1 tot en met 66, ingekomen op 25 januari 2019;

  • het verweerschrift van de raad, ingekomen op 13 februari 2019;

  • het verweerschrift van de GI, tevens houdende een zelfstandig verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, ingekomen op 22 februari 2019;

  • een verweerschrift van de vader tegen het verzoek van de moeder inzake voorlopige voorzieningen, de schorsing en in het principaal hoger beroep met producties 1 tot en met 14, ingekomen op 5 maart 2019;

  • een verweerschrift van de vader tegen het verzoek van de moeder inzake benoeming bijzondere curator met productie 1, ingekomen op 6 maart 2019;

  • een verweerschrift van de vader tegen het verzoek van de GI inzake voorlopige voorzieningen, ingekomen op 18 maart 2019;

  • een journaalbericht van mr. Bos van 18 maart 2019 met producties 67 tot en met 74;

  • een journaalbericht van mr. Wekking van 18 maart 2019 met producties 15 tot en met 21, en

  • een verweerschrift van de moeder tegen het verzoek van de GI inzake voorlopige voorzieningen, ingekomen op 19 maart 2019.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 28 maart 2019 plaatsgevonden. De moeder en de vader zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Ook is verschenen [vertegenwoordiger Raad voor de Kinderbescherming] namens de raad en [vertegenwoordiger GI] , jeugdbeschermer, namens de GI.

2.3

De moeder stelt dat het verweerschrift van de GI, tevens houdende een zelfstandig verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, te laat is ingediend. De termijn voor verweer liep tot 21 februari 2019 en het verweerschrift is ingekomen op 22 februari 2019. Daarom dient het verweerschrift buiten beschouwing te worden gelaten en is de GI niet-ontvankelijk in het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.

In verband met het feit dat in deze procedure ook mondeling ter zitting verweer kan worden gevoerd, gaat het hof aan deze stelling van de moeder voorbij. Het verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, wordt als processtuk aangemerkt.

2.4

Artikel 1.4.4 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt:

“Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

2.5

Ter mondelinge behandeling heeft mr. Wekking bezwaar gemaakt tegen overlegging van een journaalbericht van 22 maart 2019 van mr. Bos met producties 76 tot en met 79. Zij stelt dat het een omvangrijk aantal stukken betreft, die deels al eerder hadden kunnen worden overgelegd en dat zij zich onvoldoende heeft kunnen voorbereiden. Mr. Bos heeft daarop gesteld dat zij de stukken voor het merendeel pas na 18 maart 2019 tot haar beschikking had en dat de stukken niet moeilijk zijn te doorgronden.

Het hof heeft - na een schorsing van de mondelinge behandeling - op grond van de inhoud van het voormelde artikel 1.4.4 van het Procesreglement bepaald dat het journaalbericht van 22 maart 2019 met producties 76 tot en met 79 buiten beschouwing zal worden gelaten omdat het pas op genoemde datum overleggen van die stukken in strijd is met de goede procesorde. Het hof heeft daaraan toegevoegd dat voor zover mr. Bos een beroep op deze stukken wenst te doen, zij de inhoud daarvan in haar spreektijd tijdens de mondelinge behandeling naar voren kan brengen.

2.6

De jeugdbeschermer heeft bezwaar gemaakt tegen de door de moeder als productie 70c overgelegde opname en uitwerking van een gesprek dat bij de moeder in de huiskamer door de jeugdbeschermer is gevoerd op 14 februari 2019. Zij was niet op de hoogte van het feit dat het gesprek bij de moeder werd opgenomen. Een deel van de opname betreft een vertrouwelijk gesprek van haar met [naam kind 1] toen de andere aanwezigen in de woning van de moeder, onder wie ook de moeder, de kamer hadden verlaten.

De advocaat van de moeder heeft toegelicht dat de moeder zich genoodzaakt zag om het gesprek op te nemen omdat de jeugdbeschermer weigerde bepaalde besproken zaken te bevestigen. Zij voegt daaraan toe dat ook de vader gesprekken heeft opgenomen en dat hij daarop niet wordt aangesproken.

Het hof is van oordeel dat productie 70c buiten beschouwing moet worden gelaten. Gelet op het bepaalde in artikel 139a (strafbaar stellen stiekem afluisteren) en 139e onder 3 ( strafbaar stellen van het aan anderen ter beschikking stellen van de stiekem gemaakte opname) van het Wetboek van Strafrecht bevat deze bijlage onrechtmatig verkregen bewijs en volgt uit die artikelen dat de moeder en de advocaat door het maken van deze opname en het overleggen daarvan in strijd met de wet hebben gehandeld.

3De feiten

3.1

De moeder en de vader zijn de ouders van:

- [naam kind 1] (verder te noemen: [naam kind 1] ), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , en

- [naam kind 2] (verder te noemen: [naam kind 2] ), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

gezamenlijk verder te noemen: de kinderen. De kinderen zijn tijdens het huwelijk van de ouders geboren.

Na hun echtscheiding zijn de ouders gezamenlijk belast gebleven met het gezag over de kinderen. De kinderen zijn na de echtscheiding bij de moeder blijven wonen.

3.2

De voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft bij vonnis in kort geding van 13 juli 2018 de zorgregeling, zoals overeengekomen in het ouderschapsplan van 25 september 2016, dan wel de gewijzigde zorgregeling van 30 december 2016, geschorst en – samengevat - een voorlopige verdeling van de zorg bepaald voor de zomervakantie 2018, alsmede voor de periode na de zomervakantie bepaald dat de hulpverlening in het kader van het drangtraject de omgang tussen de vader en de kinderen verder zal bepalen. De behandeling van de verdeling van de zorg is aangehouden en de raad is verzocht een onderzoek in te stellen naar en de voorzieningenrechter te adviseren over de verdeling van de zorg en zo nodig dit onderzoek uit te breiden naar een kinderbeschermingsonderzoek.

Bij vonnis van 28 september 2018 heeft de voorzieningenrechter de schorsing van de zorgregeling opgeheven en de vrouw veroordeeld tot nakoming van het bij de beschikking van de rechtbank Limburg van 23 november 2016 behorende ouderschapsplan en de nader bij e-mail van 30 december 2016 tussen partijen overeengekomen zorgregeling.

3.3

Bij beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 8 oktober 2018 heeft de kinderrechter de kinderen voorlopig onder toezicht gesteld tot 8 januari 2019, een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader met gezag verleend voor vier weken en de beslissing voor het overige aangehouden.

Bij beschikking van 17 oktober 2018 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader met gezag verleend tot 8 januari 2019.

3.4

Op 29 oktober 2018 heeft de raad een rapport uitgebracht en daarin geconcludeerd dat een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de kinderen nodig is.

3.5

In de beschikking van 27 november 2018 heeft de kinderrechter de kinderen op verzoek van de raad onder toezicht gesteld van de GI van 27 november 2018 tot 27 november 2019 en machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verleend bij de vader met ingang van 27 november 2018 tot 27 november 2019.

De moeder heeft bij dit hof bij voormeld beroepschrift op 25 januari 2019 hoger beroep ingesteld tegen de hiervoor genoemde beschikking.

4De beoordeling van het verzoek

schorsing (200.253.407/2)

4.1

Aan de orde is allereerst het verzoek van de moeder dat het gerechtshof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking zal schorsen ten aanzien van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader met gezag voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 27 november 2019, dit gedurende de periode dat het hof nog geen beslissing heeft genomen op het door de moeder ingestelde hoger beroep.

4.2

Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen.

4.3

Het hof stelt het volgende voorop onder verwijzing naar HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688 en HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012.

  • i) De verzoeker moet belang hebben bij de door hem verzochte schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking.

  • ii) Bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een beschikking moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van de verzoeker bij behoud van de bestaande toestand tot op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van zijn wederpartij bij (voortzetting van) de tenuitvoerlegging van de beschikking. Indien de beslissing de veroordeling tot betaling van een geldsom betreft, is het belang van de schuldeiser bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in beginsel gegeven.

  • iii) Bij deze belangenafweging moet worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het hoger beroep in beginsel buiten beschouwing.

  • iv) Indien de rechtbank in eerste aanleg een gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zal de verzoeker die wijziging van deze beslissing wenst, aan zijn verzoek ten grondslag moeten leggen een kennelijke juridische of feitelijke misslag in de bestreden uitspraak dan wel feiten en omstandigheden die bij die beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

  • v) Indien de rechtbank in eerste aanleg geen gemotiveerde beslissing heeft gegeven op het verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad geldt de hiervoor onder (iv) vermelde eis niet en moet worden beslist met inachtneming van het hiervoor onder (i) tot en met (iii) vermelde.

Dat neemt niet weg dat ook dan de verzoeker die wijziging van de beslissing over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad wenst aan zijn verzoek ten grondslag kan leggen een kennelijke juridische of feitelijke misslag in de bestreden uitspraak dan wel feiten en omstandigheden die bij die beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

4.4

De kinderrechter heeft de beslissing ten aanzien van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet gemotiveerd. Het hof zal alsnog een belangenafweging maken als hiervoor bedoeld (onderdeel 4.3 i-iii). De kinderrechter heeft geoordeeld dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de kinderen. Bij zijn belangafweging gaat het hof uit van dit oordeel van de kinderrechter en laat het hof de kans van slagen van het hoger beroep buiten beschouwing.

Het hof is van oordeel dat het belang van de kinderen bij voortgezette uitvoering van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, gelet op het hiervoor weergegeven oordeel van de kinderrechter, zwaarder weegt dan het belang van de moeder bij schorsing daarvan.

De stelling van de moeder dat de kinderen bij de vader geen goede verzorging en opvoeding krijgen, wordt door de andere belanghebbenden gemotiveerd weersproken. De kinderen functioneren volgens de GI en de vader op dit moment naar omstandigheden redelijk goed.

De jeugdbeschermer heeft bevestigd dat [naam kind 1] en [naam kind 2] kenbaar maken dat zij graag weer bij hun moeder willen gaan wonen. De raad heeft echter gerapporteerd en tijdens de mondelinge behandeling nogmaals benadrukt dat de moeder de kinderen nog steeds belast door de vader in het bijzijn van de kinderen te diskwalificeren. Bij de moeder ontbreekt enige zelfreflectie op dit punt. De kinderen komen daardoor klem te zitten tussen de ouders.

De jeugdbeschermer heeft dit standpunt van de raad onderschreven en heeft gesteld dat zij waarneemt dat de vader zich tegenover de kinderen neutraler opstelt en de kinderen meer gelegenheid geeft om zich vrij te uiten. Bij de vader is ook sprake van emotionele ruimte voor meer contact tussen de moeder en de kinderen dan het contact dat nu plaatsvindt, maar de GI acht dat vanwege de opstelling van de moeder op dit moment te belastend voor de kinderen.

Het hof is van oordeel dat de stellingen van de raad en de GI met dusdanig veel voorbeelden nader zijn onderbouwd dat aannemelijk is dat het belang van de kinderen bij behoud van de bestaande toestand op dit moment zwaarder weegt. Daarom zal het hof het verzoek van de moeder tot schorsing van werking van de beschikking inzake de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing afwijzen.

voorlopige voorziening verzocht door de moeder (200.253.407/03)

4.5

In geschil is verder het verzoek van de moeder dat het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, als voorlopige voorziening zal bepalen dat de kinderen naar de moeder terugkeren voor de duur van de procedure in hoger beroep bij dit hof, dan wel bij afwijzing van dit verzoek te bepalen dat de kinderen voor de duur van de procedure ten minste één nacht per week bij de moeder verblijven en dat de zorgregeling verder wordt uitgebreid.

4.6

Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering. Aangezien de hoofdzaak tussen partijen bij dit hof aanhangig is en die samenhang bestaat, is de moeder ontvankelijk in haar verzoek tot het vaststellen van een voorlopige voorziening.

4.7

Het hof stelt voorop dat een voorlopige voorziening naar haar aard een tijdelijke beslissing is die geldt voor de duur van de procedure. Vereist is dat de partij die de voorlopige voorziening vraagt een voldoende (dringend) belang moet hebben bij een dergelijk verzoek en dat van hem niet gevergd kan worden dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht.

4.8

Het hof schaart zich, na eigen onderzoek, achter de overwegingen van de kinderrechter in de bestreden beschikking en maakt die tot de zijne. Hiervoor is reeds overwogen dat de raad en de GI voldoende gemotiveerd hebben gesteld dat de vader in staat is om voor de kinderen te zorgen en dat de moeder de kinderen zwaar belast met de strijd tussen de ouders. De (verdeling van de) verzorging en opvoeding van de kinderen is onderdeel van die strijd. Indien de kinderen op dit moment zouden mogen terugkeren naar de moeder is de kans groot dat de moeder zal proberen de vader volledig buiten spel te zetten bij de verzorging en opvoeding van de kinderen. De raad heeft gerapporteerd dat sprake is van echtscheidingsproblematiek waarbij de moeder zich ook bij diverse instanties zeer negatief over de vader uitlaat. De vader is rustig en probeert volgens de raad conflicten te vermijden.

Een verblijf bij hem is voor de kinderen minder schadelijk, omdat de vader op dit moment beter in staat is de moeder een rol in het leven van de kinderen te gunnen dan andersom. Dat de kinderen verdrietig zijn omdat zij niet meer bij hun moeder wonen en haar missen, maakt deze conclusie niet anders. Ook de bereidheid van de moeder het hulptraject ‘All-in-the-Family’ weer op te pakken en samen met de vader de module DEES bij Pactum te gaan volgen, leidt niet tot een andere conclusie.

4.9

Wat betreft de uitbreiding van de zorgregeling overweegt het hof dat de GI en de vader voldoende nader hebben omschreven dat de moeder nog steeds uitlatingen doet waarmee zij de houding van de kinderen ten aanzien van hun vader negatief beïnvloedt. Volgens de jeugdbeschermer is in verband daarmee een uitbreiding van het contact tussen de moeder en de kinderen op dit moment nog niet in het belang van de kinderen.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de bij de GI aanwezige expertise, de invulling van het contact tussen de moeder en [naam kind 1] en [naam kind 2] op dit moment dient te worden overgelaten aan de jeugdbeschermer, dit in samenspraak met de gedragsdeskundige.

4.10

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de door de moeder verzochte voorziening moet worden afgewezen.

benoeming van een bijzondere curator (200.253.474)

4.11

Aan het hof is ook ter beoordeling voorgelegd het verzoek van de moeder dat het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een bijzondere curator (de moeder noemt [naam curator] ) zal benoemen en deze opdracht zal verstrekken de kinderen een stem te geven.

4.12

Volgens artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter overgaan tot benoeming van een bijzondere curator indien hij dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht vanwege strijdigheid tussen de belangen van de minderjarige en die van de met het gezag belaste ouder(s) of voogd(en); daaronder valt blijkens de wetsgeschiedenis ook het geval dat sprake is van een wezenlijk conflict tussen de ouder(s) of voogd(en) en de minderjarige met betrekking tot diens verzorging en opvoeding (HR 4 februari 2005, HR:2005:AR4850). Bij de beantwoording van de vraag of een dergelijke benoeming is aangewezen, zal het belang van de minderjarige de eerste overweging voor de rechter moeten vormen. De benoeming van een bijzondere curator dient echter niet plaats te vinden met als doel in het algemeen de belangen van de minderjarige te beschermen. Voorts verdient opmerking dat de rechter bij beantwoording van de vraag of de benoeming van een bijzondere curator nodig is, een grote mate van beoordelingsvrijheid heeft (HR 23 november 2013, HR:2013:AR4850).

4.13

Naar het oordeel van het hof is in het onderhavige geval sprake van een strijd tussen de ouders. In verband met deze strijd heeft de kinderrechter een ondertoezichtstelling uitgesproken en een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader met gezag verleend. De door de GI aangestelde jeugdbeschermer heeft als taak de belangen van de kinderen te beschermen en om beslissingen te nemen in het geval van tegengestelde belangen tussen de kinderen en de ouders. Inmiddels is ook sprake van strijd tussen de moeder en de jeugdbeschermer over wat er in het belang van de kinderen moet gebeuren, maar dat is naar het oordeel van het hof geen reden voor het benoemen van een bijzondere curator.

Uit de gegeven omstandigheden vloeit niet zonder meer voort dat sprake is van de in artikel 1:250 BW genoemde strijd tussen de belangen van de met het gezag belaste ouders of één van hen met die van de kinderen die vereist is om tot benoeming van een bijzondere curator over te gaan. De moeder heeft haar verzoek op dit punt onvoldoende geconcretiseerd. Haar stellingen dat de kinderen een onafhankelijke stem moeten krijgen, dat sprake is van een tunnelvisie bij de raad en de GI en dat de belangen van de kinderen met de beschermingsmaatregelen onvoldoende zijn gewaarborgd, passeert het hof. Het is bij de jeugdbeschermer en ook bij de vader bekend dat de kinderen graag weer vaker bij hun moeder willen zijn en de advocaat van de moeder heeft de inhoud van een door [naam kind 1] geschreven brief tijdens de mondelinge behandeling voorgelezen. De wens van de kinderen is bekend; hun stem heeft geklonken, en de ouders en de betrokken professionals hebben die stem en de wens van de kinderen gehoord, maar er bestaat tussen hen verschil van inzicht of aan de wens van de kinderen gehoor moet worden gegeven.

Niet valt uit te sluiten dat een bijzondere curator juist voor nog meer onduidelijkheid en een extra belasting van de toch al gecompliceerde situatie zal zorgen, vooral omdat uit de gang van zaken tot nu toe kan worden afgeleid dat beide ouders niet schuwen om de expertise van diverse hulpverleners/instanties in twijfel te trekken en ook met hen de strijd aan te gaan.

Op grond van het vorenstaande zal het hof het verzoek van de moeder tot benoeming van een bijzondere curator afwijzen.

voorlopige voorziening verzocht door de GI (200.253.407/4)

4.14

In geschil is tot slot het verzoek van de GI dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, op grond van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zal bepalen dat alvorens de hoofdzaak inhoudelijk te behandelen een forensisch onderzoek wordt gelast, strekkende tot beantwoording van in ieder geval de volgende onderzoeksvragen:

  • Hoe functioneert de moeder? Hoe kan haar persoonlijkheid worden omschreven? Zijn er aanwijzingen voor persoonlijkheidsproblematiek? Wat zijn de pedagogische vaardigheden van de moeder? Hoe verhouden deze uitkomsten zich met de individuele affectieve, pedagogische en opvoedingsbehoeften van [naam kind 1] en [naam kind 2] ?

  • Hoe functioneert de vader? Hoe kan zijn persoonlijkheid worden omschreven? Zijn er aanwijzingen voor persoonlijkheidsproblematiek? Wat zijn de pedagogische vaardigheden van de vader? Hoe verhouden deze uitkomsten zich met de individuele affectieve-, pedagogische- en opvoedingsbehoeften van [naam kind 1] en [naam kind 2] ?

  • Hoe is de interactie tussen [naam kind 1] en [naam kind 2] en de beide ouders, zowel afzonderlijk als tezamen?

  • Hoe is de invloed van de partner van elk van de ouders op [naam kind 1] en [naam kind 2] ?

  • Wat zijn de (contra)indicaties voor een plaatsing bij de moeder respectievelijk de vader? In hoeverre wordt plaatsing bij de moeder respectievelijk de vader in het belang van [naam kind 1] en [naam kind 2] geacht?

  • Hoe kunnen de ouders individueel en gezamenlijk de omgangsregeling met [naam kind 1] en [naam kind 2] vorm geven?

  • Indien uithuisplaatsing wordt geadviseerd, hoe kan het contact tussen [naam kind 1] , [naam kind 2] en de ouders dan worden vormgegeven?

  • In hoeverre komen er op basis van interactie-observatie of uit andere verkregen informatie uit het onderzoek vragen naar voren over de ontwikkeling van [naam kind 1] en [naam kind 2] waaruit blijkt dat aanvullend psychodiagnostisch onderzoek naar de kinderen nodig is?

4.15

De GI heeft toegelicht dat zij is gestart in de situatie van de uithuisplaatsing. Volgens de gedragsdeskundige is beslisdiagnostiek dringend noodzakelijk om het perspectief van de kinderen te kunnen bepalen. Onderzoek is nodig naar de persoonlijkheid van elk van de ouders en de zorgen die hun persoonlijke gesteldheid meebrengt voor de ontwikkeling voor de kinderen, naar de opvoedvaardigheden van de ouders en of de ouders kunnen aansluiten bij de ontwikkelbehoeften van de kinderen, naar de interactie tussen de kinderen en elk van de ouders, en wat de invloed van de band tussen de kinderen en hun stiefouders is.

4.16

Beide ouders voeren verweer tegen dit verzoek.

De vader verwacht dat een onderzoek geen oplossing zal bieden omdat de moeder de uitkomsten niet zal accepteren als die niet gunstig zijn voor haar. Zijn interactie met de kinderen en ook die met zijn partner is al geobserveerd door de raad. Een nieuw (langdurig) traject zal bovendien een belasting voor de kinderen vormen. Er is sprake van een aanzienlijke wachttijd en het onderzoek kent een behoorlijk doorlooptijd. Tenslotte is hij niet bereid om (de helft van) de kosten te voldoen.

De moeder stelt dat uit het M.I.N.I.plus-onderzoek al is gebleken dat bij haar geen sprake is van een psychiatrische stoornis, persoonlijkheidsstoornissen of trauma’s, maar dat de GI daaraan voorbijgaat. De GZ-psycholoog van Dimence is het niet eens met de interpretatie van de GI. Met een uitgebreid onderzoek zoals de GI voorstelt, zijn hoge kosten gemoeid. Zij is niet in staat die kosten te betalen en een dergelijk onderzoek zal vertragend werken, terwijl zij nog steeds maar zeer beperkt contact met de kinderen heeft. Er kan ook ander onderzoek worden verricht, bijvoorbeeld door GZ-psychologen.

4.17

Zoals hiervoor reeds is overwogen kan ingevolge artikel 223 Rv iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding, mits de vordering voldoende samenhang heeft met de hoofdvordering. Het dient te gaan om een tijdelijke beslissing die geldt voor de duur van de procedure en er moet sprake zijn van een voldoende (dringend) belang in die zin dat niet kan worden gevergd dat de afloop van de bodemzaak wordt afgewacht.

Het hof stelt vast dat het onderzoek dat de GI wenst betrekking heeft op de invulling van het ouderschap van beide ouders en niet ziet op de onderhavige verzoeken. Het hof is alleen daarom al van oordeel dat het verzoek van de de GI moet worden afgewezen.

5De slotsom

Het hof zal alle verzoeken van de moeder en het verzoek van de GI afwijzen.

6De beslissing

Het hof:

in de zaak 200.253.407/02 (schorsing):

wijst af het verzoek van de moeder tot schorsing van werking van de beschikking van 27 november 2018 inzake de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing;

200.253.407/03 (voorlopige voorziening, verzoek van de moeder):

wijst af het verzoek van de moeder om bij voorlopige voorziening te bepalen dat de kinderen naar haar terugkeren voor de duur van de procedure in hoger beroep bij dit hof, dan wel bij afwijzing daarvan te bepalen dat de kinderen voor de duur van de procedure ten minste één nacht per week bij haar verblijven en de zorgregeling verder wordt uitgebreid;

200.253.474 (benoeming bijzondere curator):

wijst af het verzoek van de moeder tot benoeming van een bijzondere curator;

200.253.407/04 (voorlopige voorziening, verzoek van de GI):

wijst af het verzoek van de GI tot het gelasten van een forensisch onderzoek.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeing-van Hees, J.H. Lieber en J.B. de Groot, bijgestaan door de griffier, en is op 18 april 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.



© Copyright 2009 - 2024 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733