Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-04-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1035

Essentie (gemaakt door AI)

Tussenbeschikking waarin prejudiciële vragen aan de Hoge Raad zijn gesteld over de reikwijdte van ‘making’ in art. 1:441 lid 2 onder b BW bij een tweetrapsmaking. Het hof vraagt of ‘making’ uitsluitend legaten of ook erfstellingen omvat en, bij bevestigend antwoord, hoe art. 4:193 lid 2 BW zich verhoudt tot art. 1:441 lid 2 onder b BW en tot art. 1:441 lid 5 BW. Aanleiding is een verzoek van bewindvoerder om machtiging tot (beneficiaire) aanvaarding namens rechthebbende. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Ziet ‘making’ in artikel 1:441 lid 2 BW uitsluitend op legaten of ook op erfstellingen?
Bewindvoerder vraagt om machtiging tot (beneficiaire) aanvaarding nalatenschap namens rechthebbende. Hof stelt naar aanleiding daarvan prejudiciële vragen aan Hoge Raad: vallen erfstellingen onder making en zo ja wat is het rechtsgevolg?

Datum publicatie09-06-2026
Zaaknummer200.363.319_01
ProcedureHoger beroep
Zittingsplaats's-Hertogenbosch
Formele relatiesEerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2025:10250
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenMeerderjarigenbescherming; Bewind;
Erfrecht;
Familieprocesrecht; Prejudiciële vragen
WetsverwijzingenBurgerlijk Wetboek Boek 1 441; Burgerlijk Wetboek Boek 4 193; Burgerlijk Wetboek Boek 1 441

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

tussenbeschikking / prejudiciële vragen aan de Hoge Raad / Ziet het woord ‘making’ als bedoeld in artikel 1:441 lid 2 aanhef en onder b BW op uitsluitend legaten of ook op erfstellingen? Indien het antwoord hierop is dat het woord ‘making’ ook ziet op erfstellingen, (a) hoe verhoudt zich artikel 4:193 lid 2 BW tot artikel 1:441 lid 2 aanhef en onder b BW en (b) hoe verhoudt zich artikel 1:441 lid 2 aanhef en onder b BW zich dan tot artikel 1:441 lid 5 BW? / iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 16 april 2026 (bij vervroeging)

Zaaknummer : 200.363.319/01

Zaaknummer eerste aanleg : 11886276 BT VERZ 25-5324

in de zaak in hoger beroep van:

[bewindvoerder] , in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van mevrouw [rechthebbende] (hierna: [rechthebbende] ),

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [bewindvoerder] of de bewindvoerder,

advocaat: mr. A.C. de Bakker te Hendrik-Ido-Ambacht,

inzake de nalatenschap van:

[erflater] ,

geboren te [geboorteplaats] , op [geboortedatum] 1936,

overleden te [plaats] op [sterfdatum] 2024,

laatst gewoond hebbende te [plaats] ,

hierna te noemen: erflater.

1Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 30 september 2025 waarbij de bewindvoerder niet-ontvankelijk is verklaard.

2Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ontvangen op 30 december 2025, heeft de bewindvoerder het hof verzocht om, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking waarvan beroep, al dan niet na het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, te vernietigen en de bewindvoerder op grond van artikel 1:441 lid 1 aanhef en onder b Burgerlijk Wetboek (BW) te machtigen om namens [rechthebbende] de nalatenschap van erflater beneficiair te aanvaarden, kosten rechtens.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 maart 2026. Bij die gelegenheid is mr. De Bakker namens de bewindvoerder gehoord.

3De beoordeling

Feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

a. Erflater is op [sterfdatum] 2024 overleden. Ten tijde van overlijden was erflater in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [rechthebbende] . Uit dit huwelijk zijn zoons geboren, waaronder de bewindvoerder.

Erflater heeft laatst bij testament van 27 april 2010 over zijn nalatenschap beschikt. Hij heeft [rechthebbende] tot zijn enig erfgenaam benoemd. Verder is in het testament een tweetrapsmaking opgenomen, inhoudende dat hetgeen [rechthebbende] bij haar overlijden onvervreemd en onverteerd nalaat, zal toekomen aan de verwachters. De kinderen van erflater zijn benoemd tot verwachters. In het testament staat, voor zover relevant, het volgende:

HOOFDSTUK 3. VOORWAARDELIJKE MAKINGEN

(TWEETRAPSMAKING)

1. De ontbindende en opschortende voorwaarde

De hierna te noemen erfgenaam verkrijgt onder een ontbindende dan wel opschortende voorwaarde. Een erfgenaam onder ontbindende voorwaarde wordt ‘bezwaarde’ genoemd, een erfgenaam onder opschortende voorwaarde ‘verwachter’.

Het vervullen van een van de voorwaarden heeft voor de bezwaarde tot gevolg dat alles wat de bezwaarde uit mijn nalatenschap zal verkrijgen of wat daarvan resteert in de hierna te noemen omstandigheden, niet zal toekomen aan zijn eigen erfgenamen maar aan de verwachters.

2. De bezwaarde

Mijn echtgenote is bezwaarde.

De bezwaarde is erfgenaam onder de ontbindende voorwaarde dat een van de hierna vermelde gevallen zich voordoet:

- haar overlijden;

- haar faillissement;

- ten aanzien van haar surseance van betaling is verleend;

- het op haar van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen;

- haar (her)trouwen, het door haar aangaan van een geregistreerd partnerschap, tenzij daarbij huwelijkse voorwaarden of partnerschapsvoorwaarden worden gemaakt en in stand gehouden.

Deze voorwaarden moeten ten minste inhouden de uitsluiting van elke huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap zonder toevoeging van enig verrekenbeding;

- zij een samenlevingscontract sluit met daarin een verrekenbeding ten aanzien van inkomen en/of vermogen;

en op dat moment ten minste een van de verwachters nog in leven is.

3. De verwachters

Ieder van mijn kinderen dan wel hun bij plaatsvervulling opkomende afstammelingen is ‘verwachter’. Deze verwachters benoem ik tot erfgenaam onder de opschortende voorwaarde dat de ontbindende voorwaarde in vervulling gaat.

Als verwachter kan ook optreden een afstammeling die op het moment van mijn overlijden nog niet geboren is. Als er geen afstammeling als verwachter optreedt, benoem ik tot verwachter: diegenen, die mijn erfgenamen volgens de wet zouden zijn als ik tegelijk met de bezwaarde zou zijn overleden.

4. Het bezwaarde vermogen

Het bezwaarde vermogen bestaat uit dat wat mijn echtgenote als bezwaarde uit mijn nalatenschap verkrijgt.

5. Het vervallen van de voorwaarden

De ontbindende en opschortende voorwaarde vervallen als er geen verwachters van mij meer in leven zijn op het moment van het vervullen van de ontbindende voorwaarde, zodat de bezwaarde onvoorwaardelijk rechthebbende tot mijn nalatenschap is geworden.

(…)

7. Vruchten

Aan de bezwaarde komen alle vruchten van het bezwaarde vermogen toe.

Als de vruchten van het bezwaarde vermogen niet zijn afgezonderd ten gunste van het privé-vermogen van de bezwaarde, worden deze geacht tot het bezwaarde vermogen te behoren.

8. Bevoegdheden en verplichtingen bezwaarde

De bezwaarde is niet verplicht zekerheden te stellen ten behoeve van de verwachters.

De bezwaarde heeft het recht, zonder toestemming van de verwachters, de goederen van mijn nalatenschap te vervreemden en te verteren.

De bezwaarde is verplicht:

- alle goederen die tot het bezwaarde vermogen behoren te verzekeren en verzekerd te houden tegen gevaren, waarvoor het gebruikelijk is een verzekering te sluiten;

- gewone lasten, inkomstenbelasting en zakelijke belastingen te dragen en onderhoud en (buiten)gewone herstellingen te verrichten alsof zij onvoorwaardelijk eigenaar is.

De bezwaarde is niet verplicht haar privé-vermogen te verteren voordat zij inteert op het bezwaarde vermogen.

9. Rechten van de verwachters

Het recht van de bezwaarde eindigt als een ontbindende voorwaarde wordt vervuld. Aansluitend begint het recht van de verwachters.

Vervolgens rust op (de rechtverkrijgenden van) de bezwaarde de verplichting het bezwaarde vermogen ter beschikking van de verwachters te stellen.

Zijn goederen verteerd of door toeval tenietgegaan, dan rust de bewijslast daarvan op (de rechtverkrijgenden van) de bezwaarde”

Op 3 december 2024 heeft de kantonrechter te Maastricht op de voet van artikel 1:431 BW over de goederen die (zullen) toebehoren aan [rechthebbende] wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand met ingang van 16 december 2024 een bewind ingesteld met benoeming van haar zoon [bewindvoerder] tot bewindvoerder.

Uit de boedelbeschrijving van 17 augustus 2025 zoals opgesteld door de bewindvoerder blijkt dat het saldo van alle bezittingen op de datum van overlijden een positief bedrag is van € 110.427,=.

De bewindvoerder heeft op 18 augustus 2025 aan de notaris mr. [notaris] (hierna: de notaris) bevestigd dat [rechthebbende] zich nog niet eerder heeft uitgesproken over de aanvaarding van de nalatenschap.

Eerste aanleg

3.2.

De notaris heeft bij brief van 20 augustus 2025, ontvangen op 21 augustus 2025, namens de bewindvoerder de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, machtiging gevraagd om de nalatenschap van erflater beneficiair te aanvaarden namens zijn moeder [rechthebbende] . Volgens de bewindvoerder is een machtiging nodig vanwege de tweetrapsbepaling die rust op de verkrijging. Alles wat [rechthebbende] onverteerd heeft achtergelaten van de nalatenschap bij haar overlijden, zal toekomen aan de zoons van erflater. De zoons hebben aangegeven geen beroep te zullen doen op hun legitieme portie.

3.3.

De kantonrechter heeft bij beschikking van 30 september 2025 de bewindvoerder niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek (ECLI:NL:RBLIM:2025:10250). Daartoe heeft de kantonrechter het volgende overwogen:

“Voor het aanvaarden van een nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving (beneficiaire aanvaarding, artikel 1:441 lid 5 BW) is geen machtiging van de kantonrechter vereist. De vraag is dan of de tweetrapsmaking betekent dat toch machtiging moet worden gevraagd op basis van artikel 1:441 lid 1 aanhef en onder b BW, dat bepaalt dat (als rechthebbende niet in staat of weigerachtig is toestemming te verlenen) machtiging van de kantonrechter nodig is om een making of gift waaraan lasten of voorwaarden zijn verbonden aan te nemen. De vraag is of een erfstelling als de onderhavige een making is als hiervoor bedoeld. Volgens de notaris wel.

De wet is hierin niet eenduidig. In sommige wetsartikelen wordt met ‘making’ gedoeld op legaten én erfstellingen, terwijl in andere wetsartikelen met ‘making’ enkel legaten wordt bedoeld.

De kantonrechter oordeelt dat erfstellingen niet vallen onder artikel 1:441 lid 2 aanhef en onder b BW en dat de daar genoemde ‘making’ dus enkel ziet op legaten. Een andere uitkomst zou zich niet verhouden met artikel 1:441 lid 5 BW, en ook niet met de beneficiaire aanvaarding van rechtswege van artikel 4:193 lid 2 BW. Dit alles betekent dat geen machtiging van de kantonrechter nodig is. De kantonrechter zal verzoeker daarom in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaren.”

Hoger beroep

Standpunt van de bewindvoerder

3.4.

De bewindvoerder heeft in het beroepschrift – kort weergegeven – aangevoerd dat hij machtiging van de kantonrechter behoeft om de erfstelling te mogen aanvaarden, omdat de erfgenaam met een tweetrapsmaking een erfrechtelijke verkrijging onder een ontbindende voorwaarde verkrijgt en dus sprake is van een verkrijging onder een voorwaarde. Een tweetrapsmaking is volgens hem een voorwaardelijke making. Volgens de bewindvoerder heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld dat het woord ‘making’ in artikel 1:441 lid 2 aanhef en onder sub b BW alleen ziet op legaten.

De bewindvoerder meent dat artikel 1:441 lid 2 aanhef en onder b BW nodig is om een persoon wiens vermogen onder bewind is gesteld te beschermen tegen een te lichtvaardige aanvaarding van een erfstelling waaraan lasten of voorwaarden zijn verbonden, omdat een voorwaarde of last zeer nadelig kan uitpakken voor de verkrijger. Volgens de bewindvoerder biedt een beneficiaire aanvaarding van rechtswege op grond van artikel 4:193 lid 2 BW die bescherming niet (voldoende).

De bewindvoerder heeft er belang bij dat zijn verzoek inhoudelijk wordt beoordeeld, dit mede om eventuele aansprakelijkheid (artikel 1:444 BW) jegens de rechthebbende te voorkomen dan wel te voorkomen dat er sprake is van een nietige rechtshandeling. De voorliggende rechtsvraag is daarnaast principieel van aard. Er bestaat rechtsonduidelijkheid over de reikwijdte van artikel 1:441 lid 2 aanhef en onder b BW. Het is wenselijk dat hierover duidelijkheid wordt gegeven, dit mede om te voorkomen dat kantonrechters hierover verschillend oordelen, alsook om te voorkomen dat onnodig verzoeken aan kantonrechters worden gedaan. De bewindvoerder heeft het hof verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad.

De beoordeling

3.5.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.5.1.

Volgens artikel 4:193 lid 1 BW kan een wettelijke vertegenwoordiger van een erfgenaam voor deze niet zuiver aanvaarden en behoeft hij voor verwerping een machtiging van de kantonrechter. Hij is verplicht een verklaring van beneficiaire aanvaarding of van verwerping af te leggen binnen drie maanden vanaf het tijdstip waarop de nalatenschap, of een aandeel daarin, de erfgenaam toekomt. Heeft hij de termijn laten verlopen, dan geldt op grond van artikel 4:193 lid 2 BW de nalatenschap als door de erfgenaam beneficiair aanvaard.

3.5.2.

Ingevolge artikel 1:441 lid 2 aanhef en onder b BW behoeft de bewindvoerder toestemming van de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, machtiging van de kantonrechter voor het aannemen van een making of gift waaraan lasten of voorwaarden zijn verbonden. In artikel 1:441 lid 5 BW is bepaald dat de bewindvoerder, met uitsluiting van de rechthebbende, bevoegd een aan de rechthebbende opgekomen nalatenschap te aanvaarden. Tenzij de aanvaarding geschiedt met toestemming van de rechthebbende, kan de bewindvoerder niet anders aanvaarden dan onder het voorrecht van boedelbeschrijving.

3.5.3.

De strekking van artikel 4:193 BW is dat de rechtspositie van een erfgenaam die een wettelijk vertegenwoordiger heeft niet te lang onzeker mag zijn, dat het risico dat die erfgenaam een negatieve nalatenschap krijgt moet worden vermeden en dat de afwikkeling van de nalatenschap volgens de regels van beneficiaire aanvaarding ook zonder het maken van (al te veel) kosten binnen bereik van die erfgenaam komt. Het hof verwijst voor een uitvoerige toelichting hierop naar de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 11 april 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2460, rov. 3.7., en naar de conclusie van Lindenbergh van 30 augustus 2024 in de met uit die beschikking gevolgde prejudiciële procedure, ECLI:NL:PHR:2024:862, onder 4.23 e.v.. In de parlementaire geschiedenis van de Invoeringswet Boek 4 BW is geen aandacht besteed aan de verhouding tussen artikel 4:193 BW en artikel 1:441 lid 5 BW. Anders dan ten aanzien van faillissementen is bepaald in artikel 4:193 lid 3 BW, is een bepaling over het buiten toepassing blijven van artikel 4:193 lid 1 en 2 BW voor het beschermingsbewind niet ingevoerd.

3.5.4.

De Hoge Raad heeft in de uitspraak van 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:758 antwoorden gegeven op een aantal door het hof Arnhem-Leeuwarden in voornoemde beschikking gestelde prejudiciële vragen over artikel 4:193 BW, in het bijzonder over de verhouding tussen die bepaling en artikel 1:441 lid 5 BW. Op de eerste prejudiciële vraag heeft de Hoge Raad geantwoord dat de bewindvoerder in een meerderjarigenbewind (artikel 1:431 BW) een wettelijke vertegenwoordiger is als bedoeld in artikel 4:193 BW, behalve in het geval dat de geërfde goederen niet onder het bewind zouden vallen. Op de tweede prejudiciële vraag heeft de Hoge Raad geantwoord dat uit artikel 4:193 lid 1 BW, gelezen in samenhang met artikel 1:441 lid 5, eerste zin, BW, voor meerderjarigenbewind voortvloeit dat de bewindvoerder binnen een termijn van drie maanden vanaf het tijdstip waarop de nalatenschap, of een aandeel daarin, de erfgenaam toekomt, een verklaring dient af te leggen van verwerping, van beneficiaire aanvaarding of van zuivere aanvaarding. Genoemde termijn kan op verzoek van de bewindvoerder overeenkomstig artikel 4:192 BW worden verlengd. De Hoge Raad heeft de derde prejudiciële vraag of de nalatenschap als door de rechthebbende beneficiair aanvaard geldt, indien de bewindvoerder de verklaring van verwerping, beneficiaire aanvaarding of zuivere aanvaarding niet binnen drie maanden (of binnen de verlengde termijn) aflegt, bevestigend beantwoord.

3.5.5.

Uit het voorgaande volgt dat de bewindvoerder van [rechthebbende] de wettelijke vertegenwoordiger is als bedoeld in artikel 4:193 BW en dat de hierin bedoelde driemaandentermijn van toepassing is op het meerderjarigenbewind. Het hof constateert dat op 21 augustus 2025, de datum waarop de bewindvoerder machtiging van de kantonrechter verzocht om de nalatenschap van erflater namens [rechthebbende] beneficiair te mogen aanvaarden, al ruimschoots meer dan drie maanden waren verstreken. De nalatenschap is immers opengevallen op [sterfdatum] 2024 en [rechthebbende] stond sinds 16 december 2024 al onder bewind. Als de bewindvoerder de termijn als bedoeld in artikel 4:193 lid 2 BW heeft laten verlopen, dan geldt de nalatenschap als door de erfgenaam [rechthebbende] beneficiair aanvaard. Dat zou ertoe leiden dat de bewindvoerder niet-ontvankelijk zou zijn in zijn verzoek om machtiging om de erfstelling te mogen aanvaarden. Het hof dient de ontvankelijkheid ambtshalve onder ogen te zien, omdat de openbare orde in het geding is.

3.5.6.

Mr. De Bakker heeft ter zitting bij het hof erkend dat deze termijn is verstreken als artikel 4:193 BW van toepassing is. Volgens mr. De Bakker moet artikel 4:193 lid 2 BW echter buiten toepassing blijven in een geval als dit waar sprake is van een tweetrapsmaking en behoeft de bewindvoerder machtiging van de kantonrechter voor aanvaarding van een making (erfstelling) waaraan lasten of voorwaarden zijn verbonden omdat [rechthebbende] niet in staat is toestemming te geven (artikel 1:441 lid 2 aanhef en onder b BW) . De kantonrechter moet volgens hem nog steeds kunnen beoordelen of de bewindvoerder de erfstelling beneficiair mag aanvaarden, dit ter bescherming van de onder bewind gestelde. Een beneficiaire aanvaarding van rechtswege is met dat wettelijke uitgangspunt in strijd, zo begrijpt het hof het standpunt. Dat is volgens mr. De Bakker ook het verschil met de zaak in de uitspraak van de Hoge Raad van 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:758, waar het ging om een erfstelling zonder voorwaarden. De vraag of de nalatenschap als door de rechthebbende beneficiair aanvaard geldt, indien de meerderjarigenbewindvoerder de verklaring van beneficiaire aanvaarding van een erfstelling onder voorwaarden niet binnen drie maanden (of binnen de verlengde termijn) aflegt, is volgens mr. De Bakker (nog) niet door de Hoge Raad beantwoord en het antwoord daarop is op dit moment (nog) onduidelijk.

3.5.7.

Het voorgaande leidt ertoe dat voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van de bewindvoerder de vraag van belang is of de driemaandentermijn van artikel 4:193 lid 2 BW van toepassing is in geval van een voorwaardelijke erfstelling (tweetrapsmaking). Het is voor het hof van belang om te weten of een erfstelling (tweetrapsmaking) onder ‘een making’ valt in artikel 1:441 lid 2 aanhef en onder b BW, en dus of een machtiging van de kantonrechter nodig is om een dergelijke erfstelling (beneficiair) te aanvaarden, en hoe dit artikel zich dan verhoudt tot artikel 1:441 lid 5 BW en artikel 4:193 BW in het geval van een erfstelling (tweetrapsmaking). In de wetsgeschiedenis noch de erfrechtelijke handboeken is een eenduidig antwoord te vinden op die vraag.

3.5.8.

Het hof ziet dat deze vraag ook een breder maatschappelijk belang heeft. Er zijn inmiddels twee (gepubliceerde) beschikkingen gegeven door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, waaronder de beschikking waarvan beroep (zie hiervoor onder 3.3.). De andere uitspraak betreft de beschikking van 4 februari 2025 van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond (ECLI:NL:RBLIM:2025:10157). De kantonrechter heeft in beide zaken de bewindvoerders niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek, omdat de kantonrechter van oordeel is dat geen machtiging van de kantonrechter nodig is. Volgens de kantonrechter vallen erfstellingen niet onder artikel 1:441 lid 2 aanhef en onder b BW en ziet de daar genoemde ‘making’ enkel op legaten. Een andere uitkomst zou zich volgens de kantonrechter niet verhouden met artikel 1:441 lid 5 BW, en ook niet met de beneficiaire aanvaarding van rechtswege van artikel 4:193 lid 2 BW. In zijn annotatie bij voornoemde uitspraak van de Hoge Raad van 16 mei 2025 in NJ 2026/86 heeft Perrick ook opgemerkt dat het, indien de making bedoeld in artikel 1:441 lid 2 onder b BW een erfstelling is, onwenselijk is dat een erfgenaam geacht wordt beneficiair te hebben aanvaard indien de bewindvoerder de, eventueel door de kantonrechter verlengde, termijn van drie maanden heeft laten verlopen.

3.5.9.

Mr. De Bakker heeft ter zitting bij het hof aangegeven dat het probleem breder speelt en dat hij op de hoogte is van verschillende niet-gepubliceerde beschikkingen met verschillende uitkomsten. Ook worden machtigingen vaak verleend door kantonrechters en komt het voor dat er door bewindvoerders geen machtiging wordt gevraagd. Er is dus behoefte aan duidelijkheid. Volgens mr. De Bakker vallen daarnaast steeds meer tweetrapsmakingen vrij doordat veel tweetrapstestamenten zijn opgemaakt naar aanleiding van het televisieprogramma Radar en neemt het meerderjarigenbewind ook toe. Hij wijst er voorts op dat de Commissie Erfrecht van de KNB eerder al heeft gesignaleerd dat niet duidelijk is hoe het bepaalde in artikel 1:345 lid 1 aanhef en onder c BW (welk artikel vergelijkbaar is met artikel 1:441 lid 2 aanhef en onder b BW) zich verhoudt tot het bepaalde in artikel 4:193 lid 2 BW (J. Mellema-Kranenburg e.a., Eindverslag commissie Erfrecht KNB inzake Boek 4 BW, Deventer: Kluwer 2012, p. 39).

3.5.10.

Het hof ziet dat voormelde vraag daarnaast ook in de literatuur speelt. In WPNR 2019/7263 zijn Brinkman en Breemhaar ingegaan op de vraag of de vereiste machtiging van artikel 1:345 lid 1 sub c BW (waar artikel 1:441 lid 2 aanhef en onder b BW voor het meerderjarigenbewind aan is ontleend) zich verdraagt met de automatische beneficiaire aanvaarding van artikel 4:193 lid 2 BW. Brinkman en Breemhaar komen tot de conclusie dat onder het begrip ‘making’ als bedoeld in artikel 1:345 lid 1 aanhef en onder c BW slechts het legaat, en niet ook de erfstelling of een erfopvolging bij versterf, moet worden verstaan. Daarmee is er volgens Brinkman en Breemhaar geen sprake meer van inconsistentie tussen artikel 1:345 lid 1 sub c BW en artikel 4:193 lid 2 BW. Zij komen, onder meer aan de hand van de behandeling van het begrip making in de (oudere) literatuur, de parlementaire geschiedenis over artikel 1:441 lid 2 onder b BW, een analyse van de wetssystematiek en jurisprudentie (rechtbank Oost-Nederland 12 februari 2013, ECLI:NL:RBONE:2013:BZ1984), tot deze conclusie. Zo hebben Brinkman en Breemhaar opgemerkt dat lid 5 van artikel 1:441 BW niet de zinsnede ‘onverminderd het bepaalde in lid 2 van dit artikel’ of woorden van soortgelijke strekking vermeldt, zoals vaak geschiedt als bij een bepaling ook een andere bepaling in aanmerking moet worden genomen (bijvoorbeeld artikel 1:442 lid 2 BW en artikel 1:445 BW) .

3.5.11.

In WPNR 2019/7279 heeft Ter Haar anders betoogd. De ratio van artikel 1:345 lid 1 sub c BW is zijns inziens onmiskenbaar de minderjarige te beschermen tegen lichtzinnige aanvaardingen van erfrechtelijke aanspraken waaraan lasten of voorwaarden zijn verbonden die immers nadelig kunnen zijn voor minderjarigen. Op grond van deze ratio valt volgens Ter Haar niet in te zien waarom deze bescherming slechts bij het aanvaarden van legaten zou gelden en niet bij het (beneficiair) aanvaarden van een nalatenschap als erfgenaam. Er is vanwege deze beschermingsgedachte wat hem betreft dus geen plaats voor een beperkte interpretatie van het begrip ‘making’. Ter Haar ziet het als een onzorgvuldigheid in de wettekst dat in artikel 1:441 lid 5 BW de zinsnede ‘onverminderd het bepaalde in lid 2 van dit artikel’ ontbreekt. Bij de totstandkoming van het huidige Boek 4 BW is volgens Ter Haar namelijk nauwelijks aandacht besteed aan de vraag hoe bepalingen in het erfrecht die de bescherming van de vermogensrechtelijke belangen van minderjarigen betreffen, zich verhouden tot de bepalingen van toezicht op het voogdijbewind als geregeld in Boek 1 BW waardoor verschillende inconsistenties zijn ontstaan.

3.5.12.

In WPNR 2019/7279 heeft Brinkman daarop onder meer gereageerd dat lasten en voorwaarden bij een beneficiaire aanvaarde erfstelling en de daaruit voortvloeiende

vereffening niet kunnen leiden tot een negatieve verkrijging. Daarom is verdere bescherming

zijns inziens niet geboden.

3.5.13.

Het hof ziet aanleiding de voorliggende vraag in dit hoger beroep, zoals verzocht, in prejudiciële vorm voor te leggen aan de Hoge Raad. Het antwoord is naar het oordeel van het hof gezien het voorgaande nodig om op het verzoek te beslissen en is rechtstreeks van belang voor de beoordeling van andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende (toekomstige) verzoeken waarin dezelfde vraag zich voordoet en voor het creëren van rechtseenheid (vgl. artikel 392 lid 1 aanhef en onder b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). Het is bovendien een logisch vervolg op de eerdere prejudiciële procedure, waarin deze vraag onbeantwoord is gebleven omdat die daar niet is voorgelegd.

Prejudiciële vragen

3.5.14.

Het hof neemt de vragen over die mr. De Bakker in het beroepschrift heeft voorgesteld. Daarom heeft het hof geen toepassing gegeven aan artikel 392 lid 2 Rv. De vragen luiden als volgt:

    Ziet het woord ‘making’ als bedoeld in artikel 1:441 lid 2 aanhef en onder b BW op uitsluitend legaten of ook op erfstellingen?

    Indien het antwoord op vraag 1 is dat het woord ‘making’ ook ziet op erfstellingen, hoe verhoudt zich artikel 4:193 lid 2 BW (inhoudende de beneficiaire aanvaarding van rechtswege) tot artikel 1:441 lid 2 aanhef en onder b BW (het doen van een verzoek tot verkrijging van een machtiging om eenmaking waaraan een last of voorwaarde is verbonden, aan te nemen)?

    Indien het antwoord op vraag 1 is dat het woord ‘making’ ook ziet op erfstellingen, hoe verhoudt zich artikel 1:441 lid 2 aanhef en onder b BW zich dan tot artikel 1:441 lid 5 BW? Dient in laatstgenoemd lid tevens te worden gelezen: ‘onverminderd het bepaalde in lid 2 van dit artikel’ of woorden van gelijke strekking?

3.5.15.

In afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door de Hoge Raad wordt de behandeling van deze zaak aangehouden.

4De uitspraak

Het hof:

- stelt de Hoge Raad de prejudiciële vragen als hiervoor in 3.5.14. vermeld;

- draagt de griffier op om onverwijld een afschrift van deze beschikking toe te zenden aan de griffier van de Hoge Raad;

- draagt de griffier op om afschriften van de andere op de procedure betrekking hebbende stukken op diens verzoek aan de griffier van de Hoge Raad toe te zenden;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.J.M. van Lanen, J.B. Smits en C.M. Molhuysen en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733