Rechtbank Noord-Holland 01-05-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:4771

Essentie (gemaakt door AI)

Echtscheiding waarin het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en moeder eenhoofdig gezag krijgt wegens langdurig vertrek en geringe betrokkenheid van vader, verstoorde verhouding en ontbreken communicatie. Hoofdverblijf bij moeder. Zorgregeling: wekelijks (beeld)belcontact en contact in overleg bij verblijf van vader in Nederland; toekomstig weekendregeling afgewezen. Kinderbijdrage bepaald op € 380 per kind per maand, zonder zorgkorting. Verdeling woning: actuele taxatie en toedeling aan moeder onder voorwaarden; vergoedingsvorderingen deels toegewezen (aflossingen

Datum publicatie22-05-2026
ZaaknummerC/15/343125
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAlkmaar
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen;
Alimentatie;
Familievermogensrecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Echtscheiding. Beëindiging gezamenlijk gezag. Verdeling echtelijke woning: In de omstandigheid dat de feitelijke verdeling zo lang op zich heeft laten wachten vanwege de achterstanden bij de rechtbank, ziet de rechtbank geen aanleiding om op grond van de redelijkheid en billijkheid af te wijken van het gebruikelijke uitgangspunt dat bij de verdeling van een goed moet worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de feitelijke verdeling. Vergoedingsvorderingen in verband met de lasten van de echtelijke woning.

Volledige uitspraak


RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Alkmaar

Zaaknummers: C/15/343125 / FA RK 23-3989 en C/15/355715 / FA RK 24-4128

Datum uitspraak: 1 mei 2026

Beschikking echtscheiding

in de zaak van

[de vrouw] ,

hierna te noemen de vrouw,

wonende te [plaats] ,

advocaat mr. E.F.E. Hoekstra uit Heerhugowaard,

en

[de man] ,

hierna te noemen de man,

wonende te [plaats] in [land] ,

advocaat mr. G.H.G. van Riel uit Amsterdam.

1Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift, met bijlagen, van de vrouw, ontvangen op 10 augustus 2023;

  • het aanvullend verzoek van de vrouw, ontvangen op 24 april 2024;

  • het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken, met bijlage, van de man, ontvangen op 26 mei 2024;

  • het verweerschrift van de vrouw op de zelfstandige verzoeken van de man, ontvangen op 8 juli 2024;

  • het bericht van de vrouw, ontvangen op 23 december 2024;

  • het bericht van de man, ontvangen op 29 januari 2025;

  • het bericht, met bijlagen, van de man, ontvangen op 13 maart 2026;

  • de brief, met bijlagen, van de vrouw, ontvangen op 19 maart 2026;

  • het gewijzigd verzoek, met bijlagen, van de vrouw, ontvangen op 23 maart 2026;\

  • het bericht, met bijlage, van de vrouw, ontvangen op 30 maart

1.2.

De zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2026. Daarbij waren aanwezig partijen met hun advocaten. De Raad is met bericht vooraf niet verschenen.

1.3.

De rechtbank heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Op 26 maart 2026 hebben zij hun mening in een gesprek met de kinderrechter bekend gemaakt.

1.4.

Na de mondelinge behandeling van de zaak heeft, zoals ter zitting besproken, de man bij bericht van 1 april 2026 nog inkomensgegevens in het geding gebracht.

2Wat vaststaat

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] in [plaats] , [land] .

2.2.

Ten tijde van het huwelijk had de man de Zimbabwaanse nationaliteit en de vrouw de Nederlandse nationaliteit. In februari 2020 heeft de man blijkens de verklaringen van partijen ter zitting de Nederlandse nationaliteit verkregen.

2.3.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

  • [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [land] ;

  • [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [land] .

2.4.

In de beschikking van 11 juli 2023 heeft deze rechtbank bij wege van voorlopige voorzieningen, conform de overeenstemming tussen partijen::

- de minderjarigen aan de vrouw toevertrouwd;

- bepaald dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke

woning aan [adres] en de zich daarin bevindende inboedelgoederen, met bevel dat de man deze woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden;

- een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) tussen de man en voornoemde minderjarigen vastgesteld waarbij de minderjarigen één weekenddag per week bij de man verblijven van 10:00 uur tot 19:00 en waarbij de man de minderjarigen haalt en brengt;

- bepaald dat de man met ingang van 9 mei 2023 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna: kinderbijdrage) van € 250,00 per kind per maand aan de vrouw dient te betalen, voor wat betreft toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- de achterstand in de betalingen van de kinderbijdrage vastgesteld op € 855,00, welke achterstand de man met een bedrag van € 100,00 per maand aan de vrouw zal aflossen.

3De beoordeling

3.1.

Echtscheiding

3.1.1.

De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

3.1.2.

De man stemt in met dit verzoek van de vrouw.

3.1.3.

Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van ten minste één van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.

3.1.4.

Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.

3.1.5.

Op grond van artikel 815, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, zesde lid, Rv) .

3.1.6.

Door de vrouw is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, tweede lid, Rv overgelegd. Nu partijen geen overeenstemming hebben over de voorzieningen ten aanzien van de minderjarigen is het naar het oordeel van de rechtbank voor de vrouw op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk om een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan te overleggen. De vrouw kan dan ook ontvangen worden in haar verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen.

3.1.7.

De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond toewijzen.

3.2.

Gezag

3.2.1.

De vrouw verzoekt het gezag te wijzigen, in die zin dat zij voortaan alleen met het gezag over de minderjarigen is belast.

3.2.2.

De vrouw stelt daartoe het volgende. Tijdens de relatie van partijen was sprake van fysiek, emotioneel en seksueel geweld van de man tegen de vrouw. De verstandhouding tussen partijen is ernstig verstoord en zij zijn niet in staat om goed en constructief met elkaar te overleggen over de minderjarigen. In 2023 heeft de man onaangekondigd Nederland verlaten zonder gedag te zeggen tegen de vrouw en de minderjarigen. Het was niet bekend waar de man verbleef en hij wilde dit ook niet bekend maken. Later bleek dat de man naar Zimbabwe was vertrokken en pas recent is bekend geworden dat de man al een jaar in [plaats] woont. De man heeft de afgelopen drie jaar, maar ook daarvoor, volgens de vrouw op geen enkele manier een rol in het leven van de minderjarigen gespeeld. De afgelopen jaren is er is enkel contact tussen de man en de minderjarigen geweest middels videobellen en via de app. De man is niet, althans nauwelijks, op de hoogte van het leven en de ontwikkelingen van de minderjarigen. Nu de man niet betrokken is bij het leven van de minderjarigen, is hij volgens de vrouw niet in staat om mee te denken over passende beslissingen voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Door alleen de vrouw te belasten met het gezag zal er op dit punt meer rust bij haar en de minderjarigen ontstaan. De vrouw kan dan met de benodigde voortvarendheid beslissingen over de minderjarigen nemen. Gelet op het voorgaande acht de vrouw het in het belang van de minderjarigen dat zij met het eenhoofdig gezag over hen wordt belast.

3.2.3.

De man verzoekt dit verzoek van de vrouw af te wijzen.

3.2.4.

De man licht toe dat hij zich als gevolg van zijn gedwongen vertrek uit de echtelijke woning feitelijk en emotioneel genoodzaakt heeft gezien uit Nederland te vertrekken. Op dit moment probeert de man in [plaats] zijn leven op de rit te krijgen en zijn inkomenspositie te herstellen. De man mist zijn kinderen en hij houdt zielsveel van hen. De man acht beëindiging van het gezamenlijk gezag niet in het belang van de minderjarigen en dit is volgens hem ook niet noodzakelijk. De minderjarigen zitten niet klem en verloren tussen partijen. Volgens de man staat hij beslissingen niet in de weg en is hij voor de vrouw bereikbaar via diverse kanalen. De man wil graag een betrokken rol in het leven van de minderjarigen blijven vervullen.

3.2.5.

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek ten aanzien van het gezag.

Gezagsverhouding

3.2.6.

Voordat kan worden beslist over de wijziging van het gezag over de minderjarigen, dient de rechtbank vast te stellen welke gezagsverhouding op dit moment geldt.

3.2.7.

Met ingang van 1 mei 2011 is voor Nederland Het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKV96) in werking getreden. Tot die datum werd de gezagsverhouding bepaald door het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 (hierna: HKV61). Dit betekent dat voor het bepalen van de van rechtswege tot stand gekomen gezagsverhouding van partijen met betrekking tot [de minderjarige 1] moet worden gekeken naar het HKV61 en met betrekking tot [de minderjarige 2] naar het HKV96. De van rechtswege tot stand gekomen ouderlijke verantwoordelijkheid wordt op grond van artikel 3 van het HKV61 en artikel 16, eerste lid, HKV96 beheerst door het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van het kind. De minderjarigen zijn in [land] geboren zodat naar het recht van [land] moet worden beoordeeld wie het gezag over de minderjarigen heeft verkregen bij de geboorte. Volgens [recht] recht hebben de gehuwde ouders van een kind gezamenlijk de ouderlijke verantwoordelijkheid over hun kind. Vaststaat dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen is gewijzigd en dat zij sinds oktober 2015 in Nederland verblijven. Op grond van artikel 16, derde lid, HKV96 blijft het gezag dat bestond volgens de vorige verblijfplaats bij verandering van de gewone verblijfplaats bestaan.

3.2.8.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat beide partijen zijn belast met het gezag over de minderjarigen.

Inhoudelijke beoordeling

3.2.9.

De rechtbank overweegt dat de hoofdregel is dat het gezamenlijk ouderlijk gezag na scheiding doorloopt. De rechtbank kan op grond van artikel 1:251a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek op verzoek van (één van) de ouders bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt. Dit is aan de orde indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wanneer wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is.

3.2.10.

De rechtbank acht het in het belang van de minderjarigen noodzakelijk dat het gezamenlijk gezag van partijen wordt beëindigd en dat de vrouw met het eenhoofdig gezag over hen wordt belast. Bij dit oordeel neemt de rechtbank in aanmerking dat de man in 2023 uit Nederland is vertrokken zonder dit aan de vrouw en de minderjarigen te laten weten. De man heeft niet bekend willen maken waar hij verbleef en pas recent is het de vrouw en de minderjarigen duidelijk geworden dat de man op dit moment in [plaats] woont. De afgelopen drie jaar heeft de man vrijwel alleen telefonisch contact met de minderjarigen gehad. De man is in deze periode maar één keer in Nederland geweest om fysiek contact met hen te hebben. Gelet op de beperkte betrokkenheid van de man bij het leven van de minderjarigen heeft hij naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zicht op de ontwikkeling en behoeftes van de minderjarigen. Hierdoor is hij niet goed in staat om beslissingen over de minderjarigen te nemen die in hun belang zijn. Daarnaast constateert de rechtbank dat de verstandhouding tussen partijen ernstig is verstoord en dat er geen communicatie tussen hen plaatsvindt. De vrouw heeft tijdens de zitting onbetwist gesteld dat zij psychologische hulp heeft ingeschakeld vanwege intieme terreur tijdens de relatie van partijen en dat zij stap voor stap haar kracht en identiteit heeft hervonden. De vrouw wil geen contact met de man voor haar eigen veiligheid en om te voorkomen dat zij terugvalt in de oude situatie. Dit in aanmerking nemende kan naar het oordeel van de rechtbank niet van de vrouw worden verwacht dat zij met de man in overleg gaat over de minderjarigen. Het is niet de verwachting dat dit binnenkort zal veranderen aangezien het gelet op de geografische afstand tussen partijen niet mogelijk is om hieraan met hulpverlening te werken. De minimaal noodzakelijke basis voor een goede uitoefening van het gezamenlijk gezag ontbreekt dan ook. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen.

3.3.

Hoofdverblijfplaats

3.3.1.

De vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar te bepalen.

3.3.2.

De man stemt in met dit verzoek.

3.3.3.

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen.

3.3.4.

De rechtbank zal het verzoek van vrouw met betrekking tot de hoofdverblijfplaats als onweersproken op de wet gegrond toewijzen, nu niet is gebleken dat de belangen van de minderjarigen zich daartegen verzetten.

3.4.

Zorgregeling

3.4.1.

De man verzoekt de volgende zorgregeling vast te stellen:

a. a) Zo lang de man in het buitenland verblijft, zal er ten minste een wekelijks contactmoment tussen de man en de minderjarigen plaatsvinden (telefonisch dan wel beeldbellen);

b) Als de man in Nederland op bezoek is, zal hij de minderjarigen in overleg zien;

c) Als de man in Nederland terugkeert, zullen de minderjarigen eenmaal per veertien dagen een weekend (dan wel weekenddag) bij de man doorbrengen almede de helft van de (school)vakanties en feestdagen.

3.4.2.

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling.

3.4.3.

De vrouw heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij zich ondanks haar eigen verleden met de man niet verzet tegen contact tussen de man en de minderjarigen en dat zij instemt met de verzoeken van de man onder a en b. Nu de vrouw hiermee instemt en de minderjarigen tijdens het gesprek met de kinderrechter hebben aangegeven dat zij het fijn vinden om contact te hebben met hun vader zal de rechtbank de verzoeken van de man in zoverre toewijzen.

3.4.4.

De vrouw verzoekt het verzoek van de man onder c af te wijzen. Volgens de vrouw heeft de man zich in het verleden zeer onbetrouwbaar opgesteld in de omgang met de minderjarigen en is er geen enkele reden om aan te nemen dat dit is veranderd. De vrouw verwacht dat de man de omgangafspraken opnieuw niet gaat nakomen, hetgeen enkel onrust en teleurstellingen oplevert.

3.4.5.

De rechtbank constateert dat de man op dit moment in [plaats] woont. Tijdens de zitting heeft de man aangegeven dat hij daar vooralsnog ook zal blijven wonen. Nu onduidelijk is of, en zo ja wanneer, de man weer terugkeert naar Nederland zal de rechtbank het verzoek van de man onder c afwijzen. De rechtbank zal niet op deze onzekere toekomstige gebeurtenis vooruitlopen. Op het moment dat de man weer in Nederland komt wonen, is het aan partijen om de omgang tussen de man en de minderjarigen opnieuw vorm te geven.

3.5.

Kinderbijdrage

3.5.1.

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man met ingang van 1 januari 2026 bij vooruitbetaling een kinderbijdrage van € 739,- per kind per maand aan haar dient te voldoen, althans een kinderbijdrage van € 387,- per kind per maand, althans een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

3.5.2.

De man verzoekt het verzoek van de vrouw af te wijzen.

3.5.3.

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek om een kinderbijdrage.

3.5.4.

De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het recht van Nederland op het verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage toepassen, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

3.5.5.

De rechtbank zal het verzoek beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het rapport van de Expertgroep Alimentatie (Tremarapport). De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen en overweegt met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten als volgt.

Ingangsdatum

3.5.6.

De vrouw verzoekt de ingangsdatum van de kinderbijdrage te bepalen op

1 januari 2026.

3.5.7.

De rechtbank stelt vast dat in de voorlopige voorzieningenbeschikking van 11 juli 2023, voor de duur van de echtscheidingsprocedure, een door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage is vastgesteld. Partijen hebben nadien niet verzocht om een wijziging van deze beschikking omdat de kinderbijdrage vanwege gewijzigde omstandigheden hoger of lager zou moeten worden vastgesteld. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de ingangsdatum van de kinderbijdrage te bepalen op de datum van de beschikking, te weten 1 mei 2026.

Behoefte

3.5.8.

Bij de berekening van de kinderbijdrage wordt eerst gekeken naar de kosten van een kind. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het gezinsinkomen. Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij uitgeven aan hun kinderen. Partijen zijn in juli 2023 feitelijk uit elkaar gegaan. Het gebruikelijk inkomen van partijen voorafgaand aan dit uiteengaan is bepalend voor het berekenen van de behoefte van de minderjarigen.

3.5.9.

De man was ten tijde van het uiteengaan eigenaar van de eenmanszaak [eenmanszaak] . Voor het inkomen van een ondernemer wordt over het algemeen uitgegaan van het gemiddelde bedrijfsresultaat over de laatste drie jaren. Dit uitgangspunt kan hier echter niet worden gevolgd, omdat de man zijn onderneming heeft opgericht op 15 februari 2021 en heeft opgeheven op 30 juni 2023. Het jaar 2022 was het enige volledige jaar en blijkens de IB-aangifte 2022 bedroeg de winst uit onderneming toen € 32.595,-. Dit inkomen van de man neemt de rechtbank tot uitgangspunt.

3.5.10.

De vrouw was ten tijde van het uiteengaan in loondienst werkzaam bij [bedrijf] . Blijkens de jaaropgave 2022 heeft de vrouw in dat jaar een bruto salaris ontvangen van € 52.076,-. Dit inkomen van de vrouw neemt de rechtbank tot uitgangspunt.

3.5.11.

Aan de hand van voormelde inkomens van partijen en rekening houdend met de van toepassing zijnde heffingskortingen en het kindgebonden budget, berekent de rechtbank het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen in 2023 op € 5.901,- per maand.

3.5.12.

De rechtbank sluit bij het bepalen van de behoefte van de minderjarigen aan bij de behoeftetabellen van de Expertgroep Alimentatie. Volgens de tabellen van 2023 gaven ouders met twee kinderen bij een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 5.901,- per maand gemiddeld € 1.433,- per maand uit voor hun kinderen. Geïndexeerd naar 1 januari 2026 bedraagt de behoefte van de minderjarigen dan € 1.696,- per maand, oftewel € 848,- per kind per maand.

Draagkracht van partijen

3.5.13.

Bij de berekening van de kinderbijdrage moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van partijen kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van partijen genoemd.

3.5.14.

Het bedrag aan draagkracht wordt volgens de richtlijn, zoals vermeld in het Tremarapport van 2026, vastgesteld aan de hand van de formule 70% van [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)]. Hierbij wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het NBI, een forfaitair bedrag van € 1.365 per maand voor de kosten van levensonderhoud en een draagkrachtpercentage van 70. Voor inkomens beneden een NBI van € 2.200,- per maand zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.

3.5.15.

Ten aanzien van de draagkracht van de man overweegt de rechtbank als volgt.

3.5.16.

De man is sinds 21 juli 2025 in loondienst werkzaam bij [bedrijf] . De man heeft zijn salarisspecificaties van januari, februari en maart 2026 en zijn jaaropgave 2025 in het geding gebracht. De rechtbank zal bij het berekenen van de draagkracht van de man uitgaan van het netto inkomen op zijn salarisspecificaties van januari, februari en maart 2026. De man is immers belastingplichtig in [land] en uit de salarisspecificaties blijkt dat de belastingdruk in [land] lager is dan in Nederland. De rechtbank kan daarom niet uitgaan van een Nederlandse situatie. Uit de salarisspecificaties van januari, februari en maart 2026 blijkt dat de man een inkomen van gemiddeld € 862,72 netto per week heeft genoten, omgerekend naar een jaar € 44.861,44 netto per jaar. Uitgaande van een netto besteedbaar inkomen van € 3.738,- per maand (€ 44.861,44 : 12 maanden) berekent de rechtbank de draagkracht van de man aan de hand van de hiervoor vermelde formule op € 876,- per maand, oftewel € 438,- per kind per maand.

3.5.17.

Ten aanzien van de draagkracht van de vrouw overweegt de rechtbank als volgt.

3.5.18.

De vrouw is sinds 1 november 2025 in loondienst werkzaam bij [bedrijf] . De vrouw heeft haar salarisspecificaties van januari, februari en maart 2026 in het geding gebracht. Uitgaande van de inkomensgegevens op deze specificaties en rekening houdend met de aanspraak van de vrouw op het kindgebonden budget en de van toepassing zijnde heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2026 op € 4.153,- per maand. Volgens de hiervoor vermelde formule heeft de vrouw dan een draagkracht van € 1.079,- per maand, oftewel € 540,- per kind per maand.

3.5.19.

De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 978,- per kind per maand. Dit bedrag overschrijdt de behoefte van de minderjarigen van € 848,- per kind per maand en daarom is er aanleiding om een draagkrachtvergelijking te maken. Het eigen aandeel van de man in de kosten van de minderjarigen bedraagt € 380,- per kind per maand en het eigen aandeel van de vrouw in de kosten van de minderjarigen bedraagt € 468,- per kind per maand.

Zorgkorting

3.5.20.

Bij het bepalen van de door de man te betalen kinderbijdrage dient in beginsel rekening te worden gehouden met de zorgkorting, te weten de kosten die hij maakt in verband met de omgang tussen hem en de minderjarigen.

3.5.21.

De man stelt dat rekening moet worden gehouden met een zorgkorting van 5%. De vrouw is van mening dat geen zorgkorting in aanmerking moet worden genomen aangezien er geen omgang plaatsvindt tussen de man en de minderjarigen.

3.5.22.

De rechtbank stelt vast dat de man en de minderjarigen op dit moment alleen telefonisch contact met elkaar hebben. In de afgelopen drie jaar is de man slechts eenmaal naar Nederland gekomen voor fysiek contact. Feitelijk draagt de man dan ook geen zorg voor de minderjarigen. Dit in aanmerking nemende en gelet op de hierboven vastgestelde zorgregeling heeft de rechtbank niet de verwachting dat dit spoedig zal veranderen. De rechtbank zal bij de man dan ook geen zorgkorting in aanmerking nemen.

Conclusie

3.5.23.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de vrouw met ingang van 1 mei 2026 bij vooruitbetaling een kinderbijdrage voor de minderjarigen van € 380,- per kind per maand aan de vrouw dient te betalen.

3.6.

Afwikkeling van het huwelijksvermogensregime

3.6.1.

Partijen verzoeken beiden om de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun vermogensbestanddelen, waarbij zij ieder een eigen wijze van afwikkeling voorstaan.

3.6.2.

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.

3.6.3.

Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing.

3.6.4.

Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.

3.6.5.

Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna geen nationaliteit gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, eerste lid, van het Verdrag.

3.6.6.

Partijen hebben hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijksvoltrekking op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd.

3.6.7.

Nu geen van de uitzonderingen van artikel 4, tweede lid, van het Verdrag zich heeft voorgedaan, werd krachtens het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van het Verdrag vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het recht van de eerste gewone verblijfplaats, te weten het recht van [land] , van toepassing op het huwelijksvermogensregime.

3.6.8.

Gebleken is dat zich nadien een situatie heeft voorgedaan als omschreven in artikel 7, tweede lid, van het Verdrag, waardoor na voornoemd recht met ingang van februari 2020 het recht van Nederland van toepassing werd op het huwelijksvermogensregime. Op dat moment hadden partijen immers hun gewone verblijfplaats in Nederland en tijdens de zitting hebben partijen verklaard dat de man in februari 2020 de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen die de vrouw reeds bezat.

3.6.9.

Partijen stellen in het kader van de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime de volgende zaken aan de orde:

- echtelijke woning

- hypothecaire geldlening

- auto’s

- vergoedingsrechten

Echtelijke woning en bijbehorende hypothecaire geldlening

3.6.10.

Partijen zijn samen eigenaar van de echtelijke woning aan [adres] . Op deze woning rust een lineaire hypothecaire geldlening bij Centraal Beheer.

3.6.11.

Partijen zijn het erover eens dat de vrouw de gelegenheid moet krijgen om de echtelijke woning over te nemen. Gelet hierop zal de rechtbank de echtelijke woning aan de vrouw toedelen onder de opschortende voorwaarde dat de vrouw in staat is de man te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire lening en dat de eventuele over- of onderwaarde van de woning (waarde woning – hypotheekschuld) bij helfte wordt gedeeld dan wel gedragen.

3.6.12.

Partijen zijn het niet eens over de waarde van de woning. De vrouw wenst voor de waarde aan te sluiten bij de WOZ-waarde van de woning in 2023 van € 275.000,- dan wel de taxatiewaarde van € 278.000,- conform het taxatierapport van 21 november 2023. De vrouw stelt dat op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid moet worden afgeweken van het gebruikelijke uitgangspunt dat bij de verdeling van een goed moet worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de feitelijke verdeling. Dat de feitelijke verdeling zo lang op zich heeft laten wachten is louter en alleen te wijten aan de achterstanden bij de rechtbank. Dit is een zeer onwenselijke situatie waarvan de man nu de vruchten probeert te plukken. Ter onderbouwing wijst de vrouw op de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 17 februari 2026 met nummer ECLI:NL:GHAMS:2026:385. De man is van mening dat de waarde van de woning moet worden bepaald door een actuele taxatie.

3.6.13.

De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te sluiten bij de door de vrouw genoemde waardes van de woning in 2023. Deze waardes zijn niet recent en voor de waarde van de woning in het kader van de verdeling dient in beginsel te worden uitgegaan van de datum van feitelijke verdeling. Gelet op de ontwikkelingen in de huizenmarkt is de waarde van drie jaar geleden niet meer marktconform. De rechtbank ziet geen aanleiding om op grond van de redelijkheid en billijkheid van het gebruikelijke uitgangspunt voor de waardepeildatum af te wijken. De achterstanden bij de rechtbank betreffen immers geen omstandigheden die aan de man kunnen worden toegerekend. Weliswaar heeft de vrouw tussentijds nog verzocht om de echtscheiding op voorhand uit te spreken, maar dit zou niets hebben uitgemaakt voor de datum waarop de waarde van de woning moet worden bepaald. In de verwijzing door de vrouw naar de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 17 februari 2026 ziet de rechtbank geen aanleiding om hier anders over te denken. Anders dan in de zaak bij het gerechtshof hadden partijen in 2023 nog geen concrete afspraken met betrekking tot de verdeling van de woning gemaakt. Partijen gingen er destijds enkel vanuit dat de vrouw de woning zou overnemen.

3.6.14.

Nu onduidelijkheid bestaat over de waarde van de woning zal de rechtbank bepalen dat in opdracht van partijen gezamenlijk een taxatie van de echtelijke woning moet plaatsvinden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de waarde dient te worden bepaald tegen het moment gelegen zo dicht mogelijk bij het moment van feitelijk verdeling. Bij het bepalen van de waarde dient de eventuele afkoop van de erfpacht buiten beschouwing te worden gelaten. Partijen hebben tijdens de zitting afgesproken dat in geval van taxatie de vrouw binnen één week na de beschikkingsdatum drie taxateurs aan de man voorstelt waaruit de man binnen één week een taxateur dient te kiezen. Binnen één week nadien dienen partijen deze taxateur een opdracht tot taxatie van de woning te verstrekken. Beide partijen mogen bij de taxatie aanwezig zijn en de door de taxateur vastgestelde waarde is bindend tussen partijen. De kosten van de taxatie dienen partijen bij helfte te dragen. Indien de man weigert zijn deel van de taxatiekosten te betalen dan dienen deze kosten te worden verrekend met de uitkoopsom dan wel zijn aandeel in de overwaarde van de woning.

3.6.15.

Voor de op de waarde van de woning in mindering te brengen hypotheekschuld dient te worden uitgegaan van de stand van de hypotheek op de datum van levering van de woning aan de vrouw. Zoals hierna onder 3.6.23. zal blijken, mag de vrouw de hypotheekaflossingen die zij heeft gedaan vanaf het moment dat de man de woning heeft verlaten op 11 juli 2023 tot de datum van overdracht van de woning met het aandeel van de man verrekenen.

3.6.16.

De vrouw heeft tot drie maanden na de taxatiedatum de gelegenheid om de overname van de woning te financieren en de man te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. Als de woning aan de vrouw wordt toebedeeld, dient zij de kosten in verband daarmee te dragen.

3.6.17.

Indien de vrouw niet in staat is om de woning over te nemen binnen voormelde termijn dan moet de woning te koop worden gezet bij de makelaar die de taxatie van de woning heeft verricht. Partijen zijn gehouden de adviezen van de makelaar op te volgen voor wat betreft de vraag- en laatprijs, alsmede alle verdere adviezen van de makelaar, voor zover zij daar samen niet uitkomen. De verkoopopbrengst dient na aftrek van de verkoopkosten ter aflossing van de hypothecaire lening te worden aangewend. Een eventuele overwaarde dienen partijen bij helfte te delen en een eventuele restschuld dienen partijen bij helfte te dragen.

3.6.18.

De man heeft tijdens de zitting aangegeven dat zijn achterstand in de betaling van de kinderbijdrage kan worden verrekend met de uitkoopsom die de vrouw bij overname van de woning aan hem dient te betalen dan wel met zijn aandeel in de overwaarde bij verkoop van de woning aan een derde.

3.6.19.

Aangezien nog niet duidelijk is of de vrouw de woning kan overnemen en door partijen diverse uitvoeringshandelingen zullen moeten worden verricht, zal de rechtbank ten aanzien van de echtelijke woning de wijze van verdeling vaststellen. Beide partijen dienen hun medewerking te verlenen aan alle voor het vorenstaande benodigde uitvoerings- en rechtshandelingen.

Auto’s

3.6.20.

Partijen zijn het erover eens dat de [automerk] aan de vrouw wordt toebedeeld en dat de man de verkoopopbrengst van de [automerk] behoudt, zonder nadere verrekening over en weer.

Vergoedingsrechten

3.6.21.

De vrouw stelt een vergoedingsvordering op de man te hebben ter hoogte van de door haar voor de man betaalde hypotheekaflossingen en hypotheekrente gedurende het huwelijk tot aan het moment van overdracht van de echtelijke woning aan de vrouw of een derde. Daartoe stelt de vrouw dat zij gedurende het huwelijk alle gebruikers- en eigenaarslasten van de woning heeft voldaan uit privévermogen, terwijl de man hiervoor op grond van de eigendomsverhouding voor de helft draagplichtig is.

3.6.22.

De man verzoekt dit verzoek van de vrouw af te wijzen.

3.6.23.

De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw tot vergoeding van de helft van de door haar betaalde hypotheekaflossingen en hypotheekrente over de periode tot het vertrek van de man uit de echtelijke woning op 11 juli 2023 onder verwijzing naar artikel 1:81 van het Burgerlijk Wetboek (BW) af. Op grond van dit artikel zijn partijen tot de ontbinding van hun huwelijk immers gehouden om elkaar het nodige te verschaffen. Ook wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw tot vergoeding van de helft van de door haar betaalde hypotheekrente over de periode vanaf het vertrek van de man uit de echtelijke woning op 11 juli 2023 tot de datum van overdracht van de woning af. De rechtbank vindt het redelijk dat de vrouw over deze periode de hypotheekrente voor haar rekening neemt aangezien zij sinds 11 juli 2023 het exclusieve gebruik van de woning heeft gehad en zij de man hiervoor niet heeft gecompenseerd. Het verzoek van de vrouw tot vergoeding van de helft van de door haar betaalde hypotheekaflossingen over de periode vanaf het vertrek van de man uit de echtelijke woning op 11 juli 2023 tot de datum van overdracht van de woning wijst de rechtbank toe. De man heeft hiermee ter zitting ingestemd en de man profiteert na overdracht van de woning aan de vrouw of een derde ook van de aflossingen op de hypotheek doordat hiermee een hogere overwaarde wordt gerealiseerd. Het bedrag dat de man aan de vrouw moet vergoeden, mag indien mogelijk verrekend worden met de uitkoopsom die de vrouw bij overname van de woning aan man dient te betalen dan wel met het aandeel van de man in de overwaarde bij verkoop van de woning aan een derde.

3.6.24.

Voorts stelt de vrouw een vergoedingsvordering op de man te hebben voor de helft van de door haar uit privévermogen betaalde reparatiekosten van het lekkende dak van de echtelijke woning. De reparatiekosten bedroegen volgens de vrouw € 7.099,-.

3.6.25.

De man heeft tijdens de zitting ingestemd met dit verzoek van de vrouw.

3.6.26.

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw als onweersproken toewijzen en bepalen dat de man een bedrag van € 3.549,50 aan de vrouw dient te vergoeden in verband met de reparatiekosten voor het dak van de echtelijke woning. Indien mogelijk mag dit bedrag verrekend worden met de uitkoopsom die de vrouw bij overname van de woning aan man dient te betalen dan wel met het aandeel van de man in de overwaarde bij verkoop van de woning aan een derde.

4De beslissing

4.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [huwelijksdatum] in [plaats] , [land] ;

4.2.

bepaalt dat de vrouw alleen het gezag uitoefent over de minderjarigen:

- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [land] ;

- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [land] ;

vanaf de dag dat de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;

4.3.

verzoekt de vrouw een bewijs van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand toe te sturen aan de griffie van de rechtbank, waarna aantekening wordt gemaakt van de wijziging van het gezag in het gezagsregister;

4.4.

stelt vast dat voornoemde minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben;

4.5.

stelt de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de man en voornoemde minderjarigen vast:

- Zo lang de man in het buitenland verblijft, zal er ten minste een wekelijks contactmoment tussen de man en de minderjarigen plaatsvinden (telefonisch dan wel beeldbellen);

- Als de man in Nederland is, zal hij de minderjarigen in overleg zien;

4.6.

bepaalt dat de man met ingang van 1 mei 2026 bij vooruitbetaling een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen van € 380,- per kind per maand aan de vrouw dient te betalen;

4.7.

gelast de wijze van verdeling van de echtelijke woning aan [adres] zoals vermeld onder overwegingen 3.6.11 tot en met 3.6.18;

4.8.

deelt de [automerk] aan de vrouw toe en bepaalt dat de man de verkoopopbrengst van de [automerk] behoudt, zonder nadere verrekening over en weer;

4.9.

bepaalt dat de man de helft van de aflossingen op de hypothecaire geldlening over de periode vanaf zijn vertrek uit de echtelijke woning op 11 juli 2023 tot de datum van overdracht van deze woning aan de vrouw of een derde aan de vrouw dient te vergoeden, welk bedrag indien mogelijk verrekend mag worden met de uitkoopsom die de vrouw bij overname van de woning aan man dient te betalen dan wel met het aandeel van de man in de overwaarde bij verkoop van de woning aan een derde;

4.10.

bepaalt dat de man een bedrag van € 3.549,50 aan de vrouw dient te vergoeden in verband met de reparatiekosten van het lekkende dak van de echtelijke woning, welk bedrag indien mogelijk verrekend mag worden met de uitkoopsom die de vrouw bij overname van de woning aan man dient te betalen dan wel met het aandeel van de man in de overwaarde bij verkoop van de woning aan een derde;

4.11.

verklaart de beslissingen onder 4.4 tot en met 4.10 uitvoerbaar bij voorraad;

4.12.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Flipse, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. S.C. Horio, griffier op 1 mei 2026.

Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733