Essentie (gemaakt door AI)
Zaak over gezag en zorgregeling voor een in Hongarije geboren minderjarige. Niet in geschil dat partijen aanvankelijk gezamenlijk met het gezag over minderjarige waren belast. De vraag is welke waarde moet worden toegekend aan de bepaling in de echtscheidingsbeschikking van de rechterlijke autoriteit van de staat Palestina dat minderjarige onder voogdij van moeder staat, nu de staat Palestina door Nederland niet wordt erkend. Raadsonderzoek (gezag en omgang). Minderjarige verbleef jarenlang zonder ouders in Gaza en is getraumatiseerd. Voorlopige contact- en informatieregeling.| Datum publicatie | 20-02-2026 |
| Zaaknummer | C/16/573721 / FL RK 24-424 |
| Procedure | Beschikking |
| Zittingsplaats | Almere |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | IPR familierecht; Kinderen; Gezag; Zorgregeling / omgang / informatie |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Partijen hebben gezamenlijk gezag naar Hongaars recht, maar er is een echtscheidingsbeschikking uit Palestina waarin is beslist dat alleen de moeder de voogdij heeft. Wat is de waarde van een echtscheidingsbeschikking uit Palestina? Partijen moeten zich hier nader over uitlaten. Minderjarige zat jaren zonder ouders in Gaza en is getraumatiseerd. Welke omgang is nu in haar belang? Raadsonderzoek.Volledige uitspraak
Familierecht
locatie Almere
zaaknummer: C/16/573721 / FL RK 24-424
Beschikking van 30 juli 2024
in de zaak van:
[de vader] ,
wonende in [woonplaats 1] , Hongarije,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. M. van Harskamp,
tegen
[de moeder] ,
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. C.M. Suurmeijer.
1De procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
-
het verzoekschrift van de vader (met bijlagen), binnengekomen op 16 april 2024;
-
het verweerschrift van de moeder (met bijlagen) met daarin een zelfstandig verzoek, binnengekomen op 24 juni 2024;
-
het bericht van de vader (met bijlagen), binnengekomen op 26 juni 2024.
Zowel de bij wijze van provisionele voorziening gedane verzoeken als de in de bodemprocedure gedane verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 28 juni 2024. Daarbij waren aanwezig:
-
de vader met zijn advocaat en als tolk de heer F. Kanaan;
-
de moeder met haar advocaat, een collega van de advocaat de heer J.M. Hanenberg en als tolk mevrouw M. van Lunen;
-
mevrouw [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen de Raad).
De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de minderjarige [minderjarige] , de hierna vermelde dochter van de ouders, in de gelegenheid te stellen om aan de kinderrechter te vertellen wat zij van de verzoeken vindt. De kinderrechter is daartoe alleen verplicht bij kinderen die twaalf jaar of ouder zijn. Als ze jonger zijn mág de kinderrechter dat doen.
1
2Waar de procedure over gaat
De ouders zijn met elkaar getrouwd geweest.
Zij hebben samen een kind: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] , Hongarije. [minderjarige] woont bij de moeder.
De ouders zijn het niet eens over wie het gezag over [minderjarige] heeft. Volgens de vader hebben de ouders samen het gezag over [minderjarige] . Volgens de moeder is zij met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] belast. De rechtbank zal op dit punt bij de inhoudelijke behandeling verder ingaan.
De vader verzoekt de rechtbank bij wijze van provisionele voorziening:
- een regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en een consultatie- en informatieregeling ten aanzien van [minderjarige] vast te stellen voor de duur van de bodemprocedure overeenkomstig de regeling zoals verzocht in de hoofdzaak, althans een voorlopige regeling die de rechtbank in het belang van [minderjarige] passend acht.
De vader verzoekt de rechtbank in de bodemprocedure:
- een regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreffende [minderjarige] vast te stellen, inhoudende dat [minderjarige] :
o zolang de vader niet in Nederland woont, wekelijks tenminste een halfuur contact met de vader heeft via beeldbellen alsmede één keer per maand een week bij de vader verblijft in Nederland;
o vanaf het moment dat de vader in Nederland woont om de week van vrijdagmiddag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen;
althans een regeling die de rechtbank in het belang van [minderjarige] passend acht.
- een informatie- en consultatie regeling vast te stellen op grond waarvan de moeder de vader ten minste één keer per maand, en zo nodig vaker per e-mail moet consulteren en informeren over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige] , waaronder in ieder geval maar niet uitsluitend, met betrekking tot haar verblijfplaats, school, buitenschoolse activiteiten, medische aangelegenheden en betrokken hulpverlening, althans een regeling die de rechtbank in het belang van [minderjarige] passend acht.
De moeder is het niet eens met de verzoeken van de vader en verzoekt deze af te wijzen. De moeder verzoekt de rechtbank zelfstandig om haar met het eenhoofdig gezag te belasten.
3De beoordeling
Het gezag
Partijen zijn het niet eens over wie op dit moment het gezag over [minderjarige] heeft. Volgens de moeder blijkt uit de echtscheidingsbeschikking en de afspraken dat het gezag over [minderjarige] bij de moeder is komen te liggen. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat zij alsnog met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] moet worden belast. Volgens de vader begrijpt de moeder de religieuze wetgeving verkeerd en zijn de ouders samen met het gezag over [minderjarige] belast. Uitgaande van de Sharia wetgeving is het alleen zo dat de moeder na de scheiding het verzorgingsrecht heeft tot hun dochter 7 jaar oud is. Dat is echter iets anders dan het gezag, aldus de vader.
Niet in geschil is dat partijen aanvankelijk samen met het gezag over [minderjarige] zijn belast. [minderjarige] is geboren in Hongarije terwijl de ouders daar woonden. Naar Hongaars recht oefenen de ouders gezamenlijk het gezag over haar uit. In de overgelegde en vertaalde echtscheidingsbeschikking van de Staat Palestina staat echter dat [minderjarige] onder voogdij staat van de moeder. De vraag is welke waarde toegekend moet worden aan (een bepaling in) de echtscheidingsbeschikking van de rechterlijke autoriteit van de staat Palestina, aangezien de staat Palestina in Nederland niet wordt erkend. Omdat de moeder dit standpunt tijdens de zitting pas voor het eerst naar voren heeft gebracht, is deze kwestie tijdens de zitting onvoldoende besproken en hebben partijen (en met name de vader) onvoldoende gelegenheid gekregen om hierover een standpunt in te nemen. De rechtbank wil partijen daarom alsnog in de gelegenheid stellen om hierover hun standpunt in te nemen alvorens zij daar een beslissing over neemt.
Zoals hierna zal blijken zal de rechtbank de Raad vragen onderzoek te doen naar welke omgangs-/zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige] is. Los van de formele discussie over het gezag, vindt de rechtbank het belangrijk dat de Raad ook onderzoek zal doen naar het gezag over [minderjarige] . Partijen hebben een zeer turbulent verleden en inmiddels al geruime tijd nauwelijks tot geen contact met elkaar. De verhouding is ernstig verstoord en er is sprake van veel wantrouwen over en weer. Het is de rechtbank daarom op dit moment sowieso onvoldoende duidelijk welke beslissing over het gezag het meest in het belang van [minderjarige] zou zijn. Gelet op de standpunten van de vader voorziet de rechtbank namelijk dat indien zou blijken dat de moeder het eenhoofdig gezag over [minderjarige] heeft, hij een verzoek tot gezamenlijk gezag zal doen. De rechtbank houdt de beslissing over het gezag daarom aan en verzoekt de Raad te onderzoeken welke gezagsbeslissing in het belang van [minderjarige] is.
De omgang en de informatieregeling
Uit de stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht, is gebleken dat de ouders en [minderjarige] hele onrustige jaren achter de rug hebben. De vader woont in Hongarije, de moeder verbleef vanaf 2021 met [minderjarige] in Gaza, maar is in juli 2022 naar Nederland gekomen. [minderjarige] is al die tijd bij haar oma (moederszijde) en dus zonder één van de ouders in Gaza gebleven. Volgens de moeder heeft zij al langer geprobeerd om [minderjarige] naar Nederland te krijgen, maar werd dit door de vader tegengehouden. Volgens de vader was het voor [minderjarige] veilig genoeg in Gaza en wilde hij eerst afspraken maken over een zorg- en contactregeling met [minderjarige] . In maart 2024 is [minderjarige] met haar oma naar Nederland gekomen en sindsdien verblijft zij samen met de moeder in een opvanglocatie voor asielzoekers. Volgens de moeder gaat het inmiddels wel iets beter met [minderjarige] , maar is ze nog altijd erg bang na wat ze tijdens de oorlog in Gaza heeft meegemaakt.
De rechtbank overweegt dat [minderjarige] al jaren geen structureel fysiek contact met beide ouders heeft gehad. Nu ze in maart van dit jaar naar Nederland is gekomen, is ze wel weer met de moeder herenigd, maar de vader heeft zij al geruime tijd niet in het echt gezien. Toen [minderjarige] nog in Gaza woonde, was er wekelijks videobelcontact met de vader en sinds mei 2024 is dit ook weer opgepakt. De vader wil dit contact graag zo snel mogelijk uitbreiden en is bereid om regelmatig naar Nederland te komen voor fysieke omgang. Volgens de moeder is dat niet in het belang van [minderjarige] omdat de vader niet in het belang van [minderjarige] handelt en fysiek contact in het kader van de veiligheid van haar en [minderjarige] niet aan de orde is.
Gelet op alle beschuldigingen over en weer en de heftige gebeurtenissen die [minderjarige] op zo’n jonge leeftijd al heeft meegemaakt, is het de rechtbank op dit moment onvoldoende duidelijk welke beslissing het meest in haar belang is. Ook de Raad heeft tijdens de zitting grote zorgen geuit over de situatie en aangeboden om onderzoek te doen naar welke omgangs-/zorgregeling het meest passend is. De rechtbank maakt gebruik van dit aanbod en houdt de beslissing op de verzoeken over de omgang en de informatieregeling in de bodemprocedure aan in afwachting van de resultaten van het Raadsonderzoek. De rechtbank merkt daarbij op dat de Raad heeft verklaard ook te zullen kijken of uitbreiding naar een beschermingsonderzoek noodzakelijk is.
Voor de tussentijd zal de rechtbank, anders dan door de vader verzocht, geen voorlopige regeling vaststellen waarbij er fysiek contact is tussen de vader en [minderjarige] . De rechtbank begrijpt dat de vader dit zo snel mogelijk wil opstarten, maar voor de rechtbank is op dit moment nog te veel onduidelijk om te kunnen beoordelen of dat in het belang van [minderjarige] is. De verhalen van de ouders liggen heel ver uit elkaar en het gaat niet goed met [minderjarige] door alles wat zij in haar korte leven al heeft meegemaakt. Wel vindt de rechtbank het belangrijk dat het videobelcontact wordt voortgezet en dat de moeder de vader zal informeren over [minderjarige] . De rechtbank zal daarom bij wijze van provisionele voorziening een voorlopige contact- en informatieregeling vaststellen waarbij er één keer per week videobelcontact tussen de vader en [minderjarige] plaatsvindt en waarbij de moeder de vader één keer per maand informeert over belangrijke zaken met betrekking tot [minderjarige] .
De uitvoerbaarheid bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht.
Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4De beslissing
De rechtbank:
stelt een voorlopige contact- en informatieregeling vast waarbij er één keer per week videobelcontact tussen de vader en [minderjarige] plaatsvindt en waarbij de moeder de vader één keer per maand informeert over belangrijke zaken met betrekking tot [minderjarige] ;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de (definitieve) beslissing over het gezag, de omgang en de informatieregeling aan;
verzoekt de Raad om te onderzoeken en binnen uiterlijk zes maanden na de datum
van deze beschikking te rapporteren over:
-
welke gezagsbeslissing het meest in het belang van [minderjarige] is;
-
welke omgangs-/zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige] is;
-
welke informatie-/consultatieregeling het meest in het belang van [minderjarige] is;
verzoekt partijen na ontvangst van het Raadsrapport daar schriftelijk op te reageren en daarbij tevens een standpunt in te nemen over wie op dit moment met het gezag over [minderjarige] is belast;
wijst de verzoeken van de ouders voor het overige af.
|
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M. Weistra, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. L. de Kroon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2024. |
||
|
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden. |
||
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
