Essentie (gemaakt door AI)
Verzoek ABS te gelasten medewerking te verlenen aan opmaken Nederlandse akte van erkenning (art. 1:27 BW). Op de toestemming tot erkenning is Marokkaans recht van toepassing, nu het een in Marokko geboren "verlaten kind" betreft. Aan verzoeker en zijn echtgenote is overeenkomstig Marokkaans recht kafala toegekend, maar deze is door de Nederlandse Centrale Autoriteit niet erkend. Erkenning inzetten om plaatsing minderjarige in Nederland te realiseren, is in strijd met de openbare orde. Geen aanleiding voor beslissing die ertoe strekt dat verzoeker en zijn echtgenote minderjarige in Nederland kunnen verzorgen en opvoeden.| Datum publicatie | 20-02-2026 |
| Zaaknummer | C/13/751267 / FA RK 24-3457 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Amsterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Overig; Burgerlijke Stand (art. 1:16 t/m 1:29f BW); Kinderen; Erkenning; Voogdij; IPR familierecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Procedure o.g.v. artikel 1:27 BW. Verzoeker wil kind uit Marokko naar Nederland over kunnen brengen. De kafala wordt hier echter niet erkend. Verzoeker heeft het kind hier vervolgens willen erkennen maar dat is geweigerd door de ambtenaar van de burgerlijke stand. De rechtbank wijst het verzoek af.Volledige uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/751267 / FA RK 24-3457
Beschikking van 25 maart 2025 betreffende weigering ambtenaar burgerlijke stand tot het opmaken van een akte, als bedoeld in artikel 1:27 van het Burgerlijk Wetboek
in de zaak van:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen verzoeker,
advocaat mr. M. Kaouass te Amsterdam,
tegen
De ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam,
hierna te noemen de ambtenaar.
1De procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
-
het verzoek van verzoeker, ingekomen op 17 mei 2024;
-
het F9-formulier met bijlagen van verzoeker, ingekomen op 12 juni 2024;
- het verweerschrift van de ambtenaar, ingekomen op 12 juli 2024;
-
het F9-formulier van verzoeker met als bijlage een reactie op het verweerschrift van de ambtenaar, ingekomen op 14 augustus 2024;
-
de brief van de ambtenaar, verzonden op 10 september 2024;
-
het F9-formulier met bijlagen van verzoeker, ingekomen op 15 januari 2025;
-
het e-mailbericht van verzoeker, ingekomen op 22 januari 2025;
-
het F9-formulier met bijlagen van verzoeker van 7 februari 2025.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 februari 2025.
Hierbij zijn verschenen:
-
verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk Arabisch K. Lazar;
-
de ambtenaar van de burgerlijke stand [ambtenaar 1] en [ambtenaar 2] .
2De feiten
Verzoeker is op 13 juli 2000 te Salé , Marokko, gehuwd met [de echtgenote] (hierna de echtgenote).
Op [geboortedatum] 2021 is te [geboorteplaats] , Marokko, uit [biologische moeder] (hierna de biologische moeder) geboren de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ).
Op de geboorteakte is de biologische moeder vermeld als moeder en is [naam 1] vermeld als vader.
De biologische moeder was ten tijde van de geboorte niet gehuwd. Het is onbekend wie de verwekker van [minderjarige] is.
Bij beschikking van 11 oktober 2022 heeft de rechtbank te Salé , Marokko, de kafala (de taken van opvoeding en verzorging) toegekend aan verzoeker en zijn echtgenote en hen gelast het kind te onderhouden, te verzorgen en op te voeden in een gezonde sfeer en hem te voorzien in al zijn benodigdheden en heeft verzoeker benoemd tot voogd over het kind tot dit wettelijk komt te vervallen.
Op 24 november 2022 is [minderjarige] overhandigd aan de echtgenote en haar broer die als gemachtigde namens verzoeker optrad.
Bij brief van 15 augustus 2023 heeft de Nederlandse Centrale Autoriteit aan het ministerie van Justitie in Marokko meegedeeld dat niet aan alle voorwaarden is voldaan om toestemming te geven tot plaatsing van [minderjarige] bij verzoeker en zijn echtgenote in Nederland.
Bij brief van 1 februari 2024 heeft de advocaat van verzoeker verzocht aan de ambtenaar om een akte van erkenning door verzoeker van [minderjarige] op te maken. Bij dit verzoek bevindt zich een toestemmingsverklaring van de biologische moeder van 26 januari 2024.
Bij besluit van 9 april 2023 heeft de ambtenaar geweigerd om zijn medewerking te verlenen aan het opmaken van een akte van erkenning.
Bij besluit van 27 november 2024 is door de ambtenaar van de burgerlijke stand te [locatie] , [geboorteplaats] , Marokko, verklaard dat de geslachtsnaam van [minderjarige] in de geboorteakte wordt vervangen door de geslachtsnaam [verzoeker] .
Verzoeker woont in Nederland en heeft zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit. De biologische moeder en [minderjarige] wonen in Marokko en zij hebben de Marokkaanse nationaliteit. De echtgenote verblijft bij [minderjarige] in Marokko. Zij heeft zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit.
3Het verzoek en het verweer
Verzoeker verzoekt de rechtbank thans:
-
het beroep gegrond te verklaren;
-
het besluit van de ambtenaar te vernietigen;
-
de ambtenaar te gelasten om mee te werken aan het opmaken van een akte van erkenning ten behoeve van [minderjarige] .
Verzoeker stelt hiertoe het volgende. Verzoeker en zijn echtgenote willen [minderjarige] in hun gezin opnemen als hun pleegkind. Zij hadden een grote kinderwens die helaas niet is vervuld. Zij hebben toen besloten om een in Marokko verlaten kind dat net geboren was op te nemen in hun gezin. De Marokkaanse rechtbank heeft de kafala toegekend aan verzoeker en zijn echtgenote en heeft verzoeker tot voogd benoemd over [minderjarige] . Nadien heeft de Marokkaanse Centrale Autoriteit bij de Nederlandse Centrale Autoriteit een verzoek ingediend tot plaatsing van [minderjarige] bij verzoeker in Nederland. De Centrale Autoriteit heeft dit geweigerd omdat niet vooraf toestemming hiervoor is gevraagd vanuit Marokko. De ambtenaar heeft vervolgens geweigerd om een akte van erkenning op te maken omdat er sprake zou zijn van strijd met de openbare orde. Er is echter geen strijd met de openbare orde, aldus verzoeker. Verzoeker probeert niet om adoptieregels te omzeilen. Verzoeker heeft steeds de legale weg bewandeld, er is geen sprake van adoptie in Marokko, maar van een kafala. Dat betekent dat verzoeker de voogdij heeft over [minderjarige] . Er wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 1:204 BW om te kunnen erkennen en verzoeker wil met de beoogde erkenning graag een familierechtelijke betrekking met [minderjarige] tot stand brengen. Verzoeker ziet de erkenning als een juridische bevestiging in Nederland van de in Marokko vastgestelde kafala. De stelling van de ambtenaar dat verzoeker met de erkenning beoogt [minderjarige] naar Nederland te kunnen overbrengen, is niet juist. Hij heeft hiervoor een apart verzoek bij de IND ingediend, aldus verzoeker.
De ambtenaar voert verweer en voert het volgende aan. Door erkenning ontstaan familierechtelijke betrekkingen tussen verzoeker en [minderjarige] terwijl dat niet is wat verzoeker beoogde te bereiken. Bij de kafalaprocedure is niet voldaan aan de vereisten die het Haags Kinderbeschermingsverdrag daaraan stelt. De procedure is daarmee gebrekkig. Daarnaast zou [minderjarige] door de erkenning de Nederlandse nationaliteit verkrijgen en ook een Nederlands paspoort. Toezicht op de kafala door de Marokkaanse rechtbank zou dan niet meer mogelijk zijn. Er is dan sprake van een verkapte adoptie omdat door de erkenning met toestemming van de moeder het kind in familierechtelijke betrekking tot verzoeker komt te staan, het kind naar Nederland wordt overgebracht en het gezag hier zal worden uitgeoefend zonder enig verder toezicht door de moeder of een jeugdzorginstantie. Verzoeker zet deze procedure nu in omdat de kafalaprocedure niet heeft geleid tot het gewenste resultaat. Erkenning is er op gericht een afstammingsband tot stand te komen en is daarmee wezenlijk anders dan de kafala die ziet op pleegzorg, aldus de ambtenaar.
4De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht op grond van artikel 3 Rv. Nu het verzoek ertoe strekt de ambtenaar te gelasten zijn medewerking te verlenen aan het opmaken van een Nederlandse akte van erkenning, is Nederlands recht van toepassing op dit verzoek. Op een eventuele erkenning door verzoeker is op grond van artikel 10:95 BW Nederlands recht van toepassing. Op de toestemming tot erkenning is Marokkaans recht van toepassing.
Relatieve bevoegdheid en ontvankelijkheid
Naar aanleiding van – zoals in dit geval – een besluit van een ambtenaar van de burgerlijke stand om op grond van artikel 1:18c of 20c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) te weigeren een akte van de burgerlijke stand op te maken, een latere vermelding aan een akte toe te voegen of, buiten het geval van stuiting van het huwelijk of het geregistreerd partnerschap en dat van afgifte van een afschrift of een uittreksel, aan een verrichting mee te werken, kunnen belanghebbende partijen binnen zes weken na de verzending van dat besluit een verzoek indienen bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waar de standplaats van de ambtenaar van de burgerlijke stand is gelegen (artikel 1:27 BW) .
Aangezien het gaat om een besluit van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam is deze rechtbank bevoegd om kennis te nemen van het verzoek. Verzoeker heeft het verzoek binnen de gestelde termijn van zes weken ingediend, zodat hij ontvankelijk is in het verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank dient te beoordelen of de ambtenaar op juiste gronden heeft geweigerd mee te werken aan het opmaken van de akte van erkenning. Uit artikel 1:18c lid 2 BW volgt dat de ambtenaar weigert tot het opmaken van de akte over te gaan, indien hij van oordeel is dat de Nederlandse openbare orde zich hiertegen verzet.
Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker bevoegd is om [minderjarige] te erkennen. Van een huwelijksbeletsel of juridisch vaderschap van een andere ouder is niet gebleken en ook overigens is de rechtbank niet van enig ander beletsel als bedoeld in artikel 1:204 BW gebleken.
De rechtbank maakt uit het standpunt van de ambtenaar op dat hij stelt dat, nu de kafalaprocedure niet goed is nageleefd en verzoeker en de echtgenote daardoor niet in Nederland voor [minderjarige] kunnen zorgen, verzoeker [minderjarige] nu wil erkennen. Er is dan ook sprake van strijd met de openbare orde, aangezien verzoeker de bevoegdheid tot erkenning gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij is verleend, aldus de ambtenaar. Op grond van artikel 3:13 BW kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet inroepen voor zover hij haar misbruikt. Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Op grond van artikel 3:15 BW is dit artikel ook van toepassing op de erkenning.
Uit de overgelegde Marokkaanse geboorteakte van [minderjarige] blijkt dat hij geboren is op
[geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] , Marokko, als zoon van [biologische moeder] en [naam 1] . Wie de moeder is staat vast. De naam [naam 1] betreft een kennelijk fictieve naam nu de biologische vader van [minderjarige] onbekend is. Uit de stukken blijkt verder dat de biologische moeder afstand heeft gedaan van [minderjarige] , waarna [minderjarige] is aangemerkt als een “verlaten kind”.
De rechtbank begrijpt dat verlaten kinderen die niet meer door hun ouders kunnen worden opgevoed, in Marokko kunnen worden overgedragen aan een of meerdere andere personen aan wie de kafala wordt toegekend. Kafala-verzorgers krijgen daarbij zowel de verantwoordelijkheid voor de verzorging en de bescherming van het kind als de voogdij over het kind toegewezen. De rechtbank stelt vast dat, overeenkomstig het nationale recht van Marokko, aan verzoeker en de echtgenote de verzorging en opvoeding en, aan verzoeker, de voogdij van [minderjarige] is toegekend.
De rechtbank stelt vervolgens vast dat verzoeker en de echtgenote gekozen hebben voor de kafala en daarmee voor het verkrijgen van de voogdij over een Marokkaans kind. Verzoeker heeft meegedeeld uitdrukkelijk niet te hebben gekozen voor adoptie, waarbij een afstammingsrelatie ontstaat, omdat dit in strijd is met Islamitisch recht. Daarmee maakt verzoeker naar het oordeel van de rechtbank zijn stelling dat hij met de beoogde erkenning graag een familierechtelijke betrekking met [minderjarige] tot stand wil brengen, ongeloofwaardig.
Nadien is gebleken dat de Marokkaanse kafalaprocedure door de Nederlandse Centrale Autoriteit niet werd erkend, omdat de Centrale Autoriteit gebreken heeft geconstateerd in de Marokkaanse procedure. Het gevolg hiervan was dat [minderjarige] niet in het kader van de kafala naar Nederland kon komen om hier bij verzoeker en de echtgenote te gaan wonen. De rechtbank stelt dan ook vast dat verzoeker probeert het probleem dat daardoor voor hem en zijn echtgenote is ontstaan omdat zij [minderjarige] in Nederland willen verzorgen en opvoeden, op te lossen door [minderjarige] in Nederland te erkennen. Omdat er door de erkenning een familierechtelijke band tussen hem en [minderjarige] zou ontstaan, zou [minderjarige] alsnog in Nederland samen met verzoeker en zijn echtgenote een gezin kunnen vormen.
De rechtbank is van oordeel dat verzoeker daarmee zijn bevoegdheid tot erkenning uit wil oefenen met een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid tot erkenning is verleend. Een erkenning is er specifiek op gericht om een familierechtelijke band te laten ontstaan tussen de erkenner en het kind. Verzoeker wil de erkenning echter alleen inzetten om ook in Nederland uitvoering te kunnen geven aan de kafala en de voogdij over [minderjarige] ook in Nederland uit te kunnen oefenen, nu hij daarvoor geen toestemming heeft verkregen van de Nederlandse Centrale Autoriteit. De stelling dat verzoeker een apart verzoek bij de IND heeft ingediend maakt het oordeel niet anders. Dit verzoek afgifte machtiging voorlopig verblijf is pas ingediend op 7 juni 2024 (productie 14 van verzoeker) en lijkt te zijn ingegeven door de weigering van de ambtenaar om zijn medewerking te verlenen aan het opmaken van de beoogde akte van erkenning. Gelet hierop is de rechtbank, met de ambtenaar, van oordeel dat er sprake is van een erkenning die in strijd is met de Nederlandse openbare orde.
De rechtbank overweegt verder dat op grond van artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, New York, 20 november 1989 (hierna Kinderbeschermingsverdrag), de belangen van het kind de eerste overweging vormen bij alle maatregelen die deze kinderen betreffen. Nederland heeft zich in dit kader ook verbonden een kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van o.a. wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk zijn voor het kind en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen.
De rechtbank dient dan ook te onderzoeken of er in dit kader, gelet op de belangen van [minderjarige] , reden is om, ondanks de strijd met de Nederlandse openbare orde, alsnog een zodanige beslissing te nemen dat verzoeker en zijn echtgenote [minderjarige] in Nederland kunnen gaan verzorgen en opvoeden.
De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is en zal hierna uitleggen waarom dit zo is.
Bij de kafalaprocedure in Marokko is er, bewust dan wel onbewust, geen rekening mee gehouden dat verzoeker en zijn echtgenote in Nederland woonden en dat het hun doel was om [minderjarige] ook naar Nederland te laten komen om hem hier te kunnen verzorgen en op te voeden. Dit heeft ertoe geleid dat voordat de Marokkaanse rechter een beslissing over de kafala nam, geen toestemming aan de Nederlandse Centrale Autoriteit is verzocht voor plaatsing van [minderjarige] in Nederland bij verzoeker en zijn echtgenote. Toen deze toestemming op een later moment alsnog is verzocht, heeft de Centrale Autoriteit dit geweigerd. De weigering zag niet alleen op het feit dat vooraf geen toestemming is verzocht. In de beslissing van de Centrale Autoriteit staat verder onder meer het volgende:
“[…]
The principle of double subsidiarity has not been applied. Article 7 of the CRC states in paragraph 1 that a child has the right, as far as possible, to know and be cared for by his parents. Therefore, before placing a child abroad, which should be an ultimum remedium, efforts should be made to assist the parents in raising the child themselves. In case this is not possible, efforts should be made to place the child in the care of family members or to find a solution in the child’s country of birth. The information provided by your Central Authority does not provide information about these efforts. The information provided by your Central Authority does not provide information about why [minderjarige] cannot stay with the brother-in-law of the prospective foster father and his wife in Morocco, since they have been taking care of [minderjarige] since his birth.
Information about the wellbeing and the specific needs of [minderjarige] is missing.
Information about why the prospective foster parents best suit [minderjarige] ’s specific needs is missing.
The Dutch Central Authority considers kafala placements under Article 33 of the Convention a measure of child protection. The Court proceedings in Morocco however were initiated by the aspiring foster parents and not by the Moroccon childcare authorities.
[…]”.
De Rechtbank stelt - kort gezegd - vast dat de Nederlandse Centrale Autoriteit in 2023 geen gegevens heeft ontvangen waaruit blijkt waarom [minderjarige] niet in Marokko door eigen familieleden, dan wel door anderen in zijn geboorteland kan worden verzorgd en opgevoed. Tevens is geen informatie verstrekt waarom de zwager van verzoeker, die [minderjarige] vanaf het begin heeft verzorgd en opgevoed, dat niet langer kan doen. Ook ontbreekt informatie over het welzijn en speciale behoeften van [minderjarige] en daarbij informatie waarom verzoeker en zijn echtgenote het beste kunnen tegemoetkomen aan deze behoeften. Ten slotte stelt de Centrale Autoriteit vast dat verzoeker en zijn echtgenote de kafalaprocedure zelf zijn gestart en niet de jeugdzorgautoriteiten in Marokko terwijl het gaat om een kinderbeschermingsmaatregel.
De rechtbank is van oordeel dat in deze procedure nog steeds dezelfde informatie ontbreekt die nodig is om te kunnen beoordelen of het in het belang van [minderjarige] is dat hij in Nederland door verzoeker en zijn echtgenote wordt verzorgd en opgevoed. Dat de zwager van verzoeker inmiddels niet meer in Marokko maar in Spanje woont met zijn gezin zodat [minderjarige] daar niet langer kon verblijven, zoals verzoeker heeft meegedeeld tijdens de zitting, maakt dit niet anders. Dit geldt eveneens voor de mededeling van verzoeker dat een Marokkaanse advocaat heeft meegedeeld dat hij geen mogelijkheden ziet voor heropening van de eerdere procedure in Marokko dan wel de start van een nieuwe procedure daar. Marokko is net als Nederland aangesloten bij het Kinderbeschermingsverdrag. De rechtbank is, hoewel zij begrijpt dat het voor verzoeker en zijn echtgenote verdrietig en ingewikkeld is, dan ook van oordeel dat in Marokko met de autoriteiten aldaar naar een oplossing moet worden gezocht. Te meer, omdat in Marokko ook zicht kan worden gekregen op de belangen van [minderjarige] .
Gelet op wat hiervoor door de rechtbank is overwogen, zal de rechtbank het verzoek van verzoeker afwijzen.
5De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Kloosterhuis, voorzitter tevens kinderrechter, mr. L. van der Heijden en mr. M. Overmars, (kinder)rechters en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. T.M.M.P. Westbroek, griffier, op 25 maart 2025
1
Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en de in de procedure verschenen belanghebbenden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
