| Datum publicatie | 17-11-2025 |
| Zaaknummer | C/16/561346 / FL RK 23-806 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Lelystad |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Alimentatie; Verdiencapaciteit (NBI) |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Wijziging partneralimentatie. Uit de expertise van de verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige volgt niet dat de vrouw helemaal geen verdiencapaciteit heeft. Rechtbank gaat uit van inkomen bij een 20-urige werkweek. Conform de bepalingen uit het convenant wordt de partneralimentatie opnieuw berekend.Volledige uitspraak
Familierecht
locatie Lelystad
zaaknummer: C/16/561346 / FL RK 23-806
Partneralimentatie
Beschikking van 14 juli 2025
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. G.J.A.M. Gloudi,
tegen
[de man] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. W.F. Wienen.
1De procedure
De rechtbank heeft op 13 september 2024 de verzoeken van de vrouw onder I. en II. afgewezen. De verzoeken van de man over wijziging/nihilstelling van de partneralimentatie en limitering zijn aangehouden voor de duur van zes maanden in afwachting van de door partijen in te schakelen arbeidsdeskundige.
De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
-
het uitstelverzoek van de vrouw van 9 december 2024;
-
de brief (met bijlagen) van de vrouw van 14 februari 2025;
-
de brief (met bijlagen) van de man van 8 april 2025.
Een zitting heeft niet plaatsgevonden.
2Waar de procedure over gaat
Voor de vaststaande feiten en verzoeken wordt verwezen naar de beschikking van
13 september 2024.
3De beoordeling
De reden voor de wijziging
De rechtbank begrijpt dat de man vraagt om wijziging/nihilstelling van de overeengekomen partneralimentatie, omdat de omstandigheden zijn gewijzigd.
1 Volgens de man heeft de vrouw niet aangetoond dat zij zich heeft ingespannen om vanaf 2019 een betaalde baan te vinden, teneinde tenminste ten dele in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Partijen hebben dit wel afgesproken in het echtscheidingsconvenant. De man is ontvankelijk in zijn verzoek.
De standpunten
Zoals in de beschikking van 13 september 2024 is overwogen, stelt de man dat de vrouw op grond van de wet en het convenant een inspanningsverplichting heeft om een betaalde baan te vinden.
De vrouw heeft aangevoerd dat zij aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan. Zij is ziek en kan niet werken. De vrouw heeft aangeboden een arbeidsdeskundige in te schakelen om haar arbeidscapaciteit te laten onderzoeken.
De rechtbank heeft de verzoeken van de man vervolgens aangehouden in afwachting van de rapportage van de door partijen in te schakelen arbeidsdeskundige.
De vrouw heeft zonder verdere toelichting een verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige expertise ingebracht van het Expertise Instituut.
De man vindt dat de rapportage van de deskundige niet zorgvuldig is en geen ondersteuning vindt in de feiten. De man is dan ook van mening dat het rapport de stelling van de vrouw dat zij geen inkomen kan verwerven onvoldoende onderbouwt. De man vraagt de rechtbank een deskundigenbericht te gelasten. Indien de rechtbank dat niet doet, vraagt de man uit te gaan van een verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw van € 1.248,- bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag (uitgaande van het minimumloon van € 14,40 per uur en een 20-urige werkweek).
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat uit de expertise van de verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige van het Expertise Instituut niet volgt dat de vrouw helemaal geen verdiencapaciteit heeft.
De verzekeringsarts (deel I van het rapport) concludeert dat de vrouw verminderde benutbare mogelijkheden heeft voor het kunnen verrichten van arbeid als gevolg van ziekte of gebrek. De benutbare mogelijkheden zijn weergegeven in termen van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Over de werktijden (rubriek VI) heeft de verzekeringsarts gezegd dat de vrouw ongeveer 20 uur per week zou kunnen werken en ongeveer 4 uur per dag. Onder rubriek V: statische houdingen, staat onder andere dat de vrouw het grootste deel van de werkdag kan zitten (niet meer dan 8 uur) tijdens het werk. Vervolgens is het dossier ter beoordeling naar de arbeidsdeskundige (deel II van het rapport) gestuurd. De arbeidsdeskundige heeft geconstateerd dat de vrouw, gelet op haar beperkingen, licht administratieve functies zal kunnen uitvoeren. Echter, de lijst met beperkingen van de verzekeringsarts leidt tot de conclusie van de arbeidsdeskundige dat het verdienvermogen van de vrouw nihil is.
De rechtbank volgt de stelling van de man dat wat uit de onderzoeksbevindingen volgt haaks staat op het verhaal van de vrouw dat zij belemmeringen heeft in haar geheugen en het sociaal en persoonlijk functioneren. De benutbare mogelijkheden zoals genoemd in de FML lijken voort te komen uit de informatie van de vrouw en niet uit de feitelijke onderzoeksbevindingen van zowel het psychisch als het lichamelijk onderzoek dat is verricht noch blijkt dit voort te komen uit het medisch dossier van de vrouw waar de verzekeringsarts de beschikking over had.
De verzekeringsarts constateert in het psychisch onderzoek namelijk dat het bewustzijn van de vrouw normaal is en zij zich op een coherente, coöperatieve en gespannen wijze presenteert. Ook haar geheugenfunctie is intact en haar oriëntatie in plaats en tijd is ongestoord, maar zij weet niet haar dagverhaal van gisteren te reproduceren. Uit het lichamelijk onderzoek komen verder geen klachten naar voren: het looptempo is normaal, de kniefunctie is ongestoord en de longen hebben geen bijgeluiden (pagina 10 en 11).
De vrouw heeft er voor gekozen om het Expertiserapport zonder enige toelichting te overleggen. Niet gesteld is door de vrouw welke conclusies de rechtbank aan de bevindingen van het Expertise Instituut moet verbinden en op wat dit betekent voor de door de rechtbank opgeworpen vragen in de tussenbeschikking 13 september 2024. Het is niet aan de rechtbank om uit een Expertiserapport de stellingen van de vrouw de filteren en in te vullen wat de bedoeling van de vrouw hiermee is. Het had op de weg van de vrouw gelegen om aan de rechtbank duidelijk te maken welke conclusies getrokken moeten worden en waar dat dan uit volgt. Dit heeft de vrouw niet gedaan. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft geschreven, is de rechtbank dan ook van oordeel dat de vrouw er niet in is geslaagd om aan te tonen dat zij ziek is en daardoor niet kan werken. De rechtbank neemt dan ook aan dat de vrouw verdiencapaciteit heeft en zal de verdiencapaciteit van de vrouw schatten. De rechtbank gaat uit van een inkomen van, zoals door de man aangegeven, € 1.248,- bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag bij een 20-urige werkweek.
De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals door de man verzocht, een deskundigenbericht te gelasten, waaruit moet blijken wat de verdien- en arbeidscapaciteit van de vrouw is. De rechtbank volgt de stelling van de man bij het toekennen van verdiencapaciteit aan de vrouw zoals onderaan 3.11. is overwogen. Uit de expertise van het Expertise Instituut gecombineerd met het werkverleden van de vrouw volgt naar het oordeel van de rechtbank dat niet te verwachten is dat zij in staat zal zijn om volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien of meer dan 20 uur per week kan werken. De vrouw heeft totdat partijen in 1995 kinderen kregen, gewerkt en in 2022 heeft zij enkele maanden vrijwilligerswerk verricht.
De beslissing
De rechtbank wijzigt de beschikking van de rechtbank Limburg van 24 april 2019 en het daarvan deel uitmakende echtscheidingsconvenant van 4 april 2019. De rechtbank bepaalt dat deze partneralimentatie vanaf vandaag € 3.191,- bruto per maand bedraagt. Hierna zal de beslissing worden uitgelegd.
In het echtscheidingsconvenant van partijen staat dat de overeengekomen partneralimentatie € 3.017,- bruto per maand bedraagt en voor het eerst per 1 januari 2020 wordt geïndexeerd. De geïndexeerde partneralimentatie bedraagt in 2025 € 3.703,- bruto per maand.
In het convenant van partijen van 4 april 2019 staat verder het volgende:
“ “Indien de vrouw inkomsten uit arbeid gaat genieten, zullen deze inkomsten zolang zij een bedrag van € 6.500,- bruto per jaar niet te boven gaan geen invloed hebben op de hoogte van de alimentatie. Indien de eigen inkomsten uit arbeid dit bedrag van € 6.500,- bruto per jaar te boven gaan, zal de alimentatie verminderd worden met 75% van het meerdere.
De in dit artikel genoemde bedragen worden jaarlijks per 1 januari, voor het eerst op 1 januari 2020 verhoogd met hetzelfde percentage als waarmee de alimentatie ingevolge de in dit artikel vastgestelde indexeringsregeling zal stijgen. (...)”
De rechtbank heeft het bedrag van € 6.500,- bruto per jaar uit het echtscheidingsconvenant geïndexeerd naar 2025. Dat komt neer op € 7.978,- bruto per jaar.
De rekensom van 3.15. ziet er als volgt uit:
€ 1.248,- x 12 maanden = € 14.976,- + € 1.198,- vakantietoeslag (€ 14.976 x 0,08) = € 16.174,- bruto per jaar.
€ 16.174,- -/- € 7.978,- = € 8.196,- x 0,75 = € 6.147,- bruto per jaar / 12 = € 512,- bruto per maand.
€ 3.703,- -/- € 512,- = € 3.191,- bruto per maand.
De ingangsdatum
De rechtbank beslist dat nieuwe partneralimentatie gaat gelden vanaf vandaag.
Partijen hebben in het echtscheidingsconvenant afgesproken dat bij een wijziging in het inkomen van de vrouw dan wel de man een aanpassing niet verder terugwerkt dan de eerste dag van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop de jaaropgave of de aanslag inkomstenbelasting betrekking heeft.
De rechtbank is van oordeel dat de ingangsdatum van de gewijzigde partneralimentatie vandaag moet zijn, omdat het gewijzigde inkomen van de vrouw, in tegenstelling tot de afspraak uit het convenant, niet volgt uit een jaaropgave dan wel een aangifte inkomstenbelasting, maar omdat er (fictieve) verdiencapaciteit bij haar wordt aangenomen.
Limitering van de partneralimentatie
De rechtbank wijst het verzoek om de partneralimentatie tot 1 januari 2025 te limiteren
2, af. Uit wat hiervoor is overwogen blijkt dat de vrouw niet in staat om per
1 januari 2025 op een voor haar passende wijze in haar levensonderhoud te voorzien. Daarbij speelt ook de leeftijd van de vrouw mee en het feit dat zij tijdens het 25 jaar durende huwelijk niet werkzaam is geweest.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank verklaart de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht.
Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
De proceskosten
De rechtbank beslist dat partijen allebei hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat zij elkaars ex-partners zijn.
4De beslissing
De rechtbank:
wijzigt de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie, zoals die was vastgelegd in de beschikking van de rechtbank Limburg van 24 april 2019 en het daarvan deel uitmakende echtscheidingsconvenant van 4 april 2019 en bepaalt dat deze partneralimentatie vanaf vandaag € 3.191,- bruto per maand bedraagt;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
beslist dat partijen allebei hun eigen proceskosten moeten betalen;
wijst de verzoeken van partijen voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M. Weistra, rechter, in samenwerking met mr. J.J. Terpstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2025.
|
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden. |
||
© Copyright 2009 - 2025 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
