Sluiten
Kennisbank
Alle informatie over familierecht voor de professional
Ga naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten

Geen wetnummer opgegeven.

Beschikbare wetten in de kennisbank:

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-10-2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4425

Datum publicatie01-11-2017
Zaaknummer16/03710
Formele relatiesEerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:4582 Bekrachtiging/bevestiging
RechtsgebiedenBelastingrecht
TrefwoordenFiscaal familierecht. Fiscaliteiten partneralimentatie. Afkoop partneralimentatie
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie

Vrouw is bij echtscheiding overbedeeld met € 75.000. Man heeft dit bedrag als persoonsgebonden aftrek opgenomen wegens afkoop van een alimentatieverplichting jegens vrouw. Hof: man heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een overbedelingsvordering op ex-echtgenote heeft prijsgegeven in ruil voor afzien door ex-echtgenote van een rechtstreeks uit het familierecht aan haar toekomend recht op partneralimentatie. Hof leidt dit af uit echtscheidingsconvenant en rapport financiële analyse. Beroep man ongegrond.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/03710

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [plaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 21 juli 2016, nummer AWB 15/8404, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna te noemen aanslag en beschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Met dagtekening 3 juli 2015 is aan belanghebbende voor het jaar 2011 de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 122.356 (hierna: de aanslag). Gelijktijdig is aan belanghebbende een beschikking inzake heffingsrente (hierna: de beschikking) gegeven ter hoogte van € 4.296. De aanslag en de beschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, door de Inspecteur gehandhaafd bij, in één geschrift vervatte, uitspraken op bezwaar.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 21 juni 2017 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende de heer [A] , alsmede, namens de Inspecteur, de heren [B] en [C] .

1.5.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.6.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is op 31 december 1996, met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen, gehuwd met mevrouw [D] (hierna: [D] ). Er heeft, gedurende het huwelijk, geen jaarlijkse verrekening van inkomsten plaatsgevonden. De echtelijke woning gelegen aan de [adres] 11 te [plaats] behoort tot de eenvoudige gemeenschap van goederen.

2.2.

Op 6 april 2011 is, door middel van een beschikking van Rechtbank Utrecht (hierna: de beschikking), de echtscheiding uitgesproken tussen belanghebbende en [D] . In de beschikking is opgenomen dat belanghebbende en [D] een echtscheidingsconvenant (hierna: het echtscheidingsconvenant) hebben opgesteld en dat dit convenant deel uitmaakt van de beschikking. Voorts heeft Rechtbank Utrecht in deze beschikking bepaald dat de man per maand een bedrag van € 580 per kind aan de vrouw dient te voldoen tot verzorging en opvoeding van hun drie, op het moment van het uitspreken van de echtscheiding minderjarige, kinderen.

2.3.

De beschikking is op 16 mei 2011 ingeschreven in het register van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] .

2.4.

Voor zover in hoger beroep relevant is in het echtscheidingsconvenant, met dagtekening 31 januari 2011, het volgende opgenomen:

“F. Voor zover in het convenant vaststellingen zijn opgenomen, die dienen ter beëindiging en/of voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen rechtens tussen partijen zal gelden, is dit convenant een vaststellingsovereenkomst in de zin van de wet. Dit zal slechts dan het geval zijn wanneer zulks uitdrukkelijk wordt vermeld.

(…)

Artikel 3 Partneralimentatie

3.1.

Partijen zijn ervan op de hoogte dat de alimentatieplicht volgens de wettelijke bepalingen (maximaal) 12 jaar duurt, te rekenen vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk door echtscheiding.

3.2.

Partijen achten zich beiden in staat te voorzien in het eigen levensonderhoud. Hierbij baseren partijen zich op een bruto inkomen van de man uit werk en woning van ongeveer € 205.000 per jaar en op een bruto inkomen van de vrouw uit werk en woning van ongeveer € 78.000 bruto per jaar.

3.3.

Partijen zien over en weer af van partneralimentatie.

3.4.

Het in dit artikel bepaalde kan niet bij rechterlijke uitspraak worden gewijzigd op grond van een wijzing van omstandigheden, behoudens in het geval van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de partij die de wijziging verzoekt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden, zoals in artikel 1:159 lid 3 BW is bepaald.

Artikel 4 Verdeling van de eenvoudige gemeenschap van goederen, alsmede afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden

(…)

4.3.

De in artikel 4.1. van dit convenant genoemde onroerende zaak wordt voor de daaraan volgens het taxatierapport van 22-10-2010 toegekende onderhandse vrije verkoopwaarde van € 825.000 toegedeeld aan de man, onder de verplichting de op de onroerende zaak rustende hypothecaire leningen bij Frieslandbank met leningnummers [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 2] voor zijn rekening te houden en te deze te voldoen als zijn eigen schuld met uitsluiting van de vrouw. Zulks onder de opschortende voorwaarde dat voornoemde hypotheeknemer de vrouw ontslaat uit de hoofdelijkheid van de verplichtingen met betrekking tot de hypothecaire schuld.

(…)

4.4.

De lasten rustend op de conform artikel 4.3. van dit convenant aan de man toebedeelde onroerende zaak zullen met ingang van de datum van ontbinding van het huwelijk door echtscheiding voor rekening van de man zijn.

(…)

Partijen verklaren uitdrukkelijk dat indien er een verschil wordt geconstateerd in de toedeling van het gezamenlijke vermogen en hetgeen waartoe eenieder juridisch gerechtigd is, dit verschil voortkomt uit de dwingende morele verplichting de ander goed verzorgd achter te laten.

Eventuele fiscale gevolgen van een verschil in toedeling en juridische gerechtigheid komen voor rekening van degene die geacht wordt bevoordeeld te zijn.

Artikel 5 Fiscale regeling

5.1.

Een eventueel door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage in de periode dat partijen duurzaam gescheiden leven zal door de man niet in aanmerking worden genomen als zijnde persoonsgebonden aftrek.

(…)”.

2.5.

Met betrekking tot het echtscheidingsconvenant heeft de heer [E] (hierna: [E] ), verbonden aan [F] te [plaats] , bij brief met dagtekening 22 januari 2016, naar aanleiding van door belanghebbende ingewonnen advies, aan belanghebbende bericht dat niet met zoveel woorden in het echtscheidingsconvenant is opgenomen dat belanghebbende en [D] hebben afgesproken dat [D] afziet van partneralimentatie in ruil voor kwijtschelding van de uit het echtscheidingsconvenant voortvloeiende overbedelingschuld ter hoogte van € 75.000 aan belanghebbende (hierna: de overbedelingsschuld). [E] merkt echter op dat de tekst van het echtscheidingsconvenant op gebrekkige wijze de bedoeling van partijen laat zien. Onder verwijzing naar de Haviltex-norm uit het arrest Hoge Raad 5 maart 2004, nr. R03/66HR, ECLI:NL:HR:2004:AO1974 stelt [E] zich op het standpunt dat bij de uitleg van een echtscheidingsconvenant de zin die partijen over en weer aan de bepalingen van dit convenant mochten toekennen richtinggevend is. Met betrekking tot de bedoeling van belanghebbende en [D] heeft [E] het volgende opgemerkt in voornoemde brief:

“4. (…) Die bedoeling is geweest dat mevrouw [D] na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking niet gehouden zou zijn om (gespreid over een periode van tien jaar) een overbedelingssom te betalen van € 75.000, nu die overbedelingssom zou worden gecompenseerd met een afkoopbedrag van € 75.000. En partijen hebben vervolgens gehandeld conform die bedoelingen.

(…)

6. Tussen de [belanghebbende] en mevrouw [D] staat vast dat de overbedelingsverplichting van mevrouw [D] , die pas na inschrijving van de echtscheidingsverplichting is ontstaan, is gecompenseerd met de alimentatie-afkoopverplichting van de [belanghebbende] . Laatstgenoemde alimentatie-afkoopverplichting is pas ontstaan (en dus pas geeffectueerd) na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, nu pas toen de overbedelingsverplichting “met effect” is ontstaan.”.

2.6.

Voorafgaande aan het sluiten van het echtscheidingsconvenant hebben belanghebbende en [D] een “Rapport [M] financiële analyse” (hierna: het rapport) op laten stellen door de heer [G] (hierna: de heer [G] ), waarin de financiële gevolgen van de echtscheiding worden geschetst. Voor zover in hoger beroep relevant, is in het rapport, met dagtekening 25 november 2010, het volgende opgenomen:

4.2.1 Toedeling woning aan [belanghebbende]

Indien u in onderling overleg overeenkomt dat [belanghebbende] in de woning zal blijven wonen dan kan dit resulteren in de volgende verdeling van het gemeenschappelijk vermogen ter grootte van negatief € 100.028.

Aandeel [belanghebbende]

(01-04-2010)

Bedrag

Woonhuis [adres] 11

825.000

Inboedel

6.000

Totaal bezittingen 831.000

Af: hypothecaire geldlening

-/- 931.028

Saldo gemeenschappelijk vermogen -/- 100.028

Toelichting

Indien u deze verdeling gaat maken zal de hypothecaire financiering geheel op naam van [belanghebbende] dienen te worden gesteld.

Daarnaast zal de schuld van mevrouw [D] in de gezamenlijke woning door [belanghebbende] overgenomen dienen te worden. Aan mevrouw [D] wordt in bovenstaande verdeling niets toe gedeeld. Mevrouw [D] dient aan [belanghebbende] de helft van het tekort zijnde € 50.014 te voldoen, teneinde haar aandeel over te kunnen dragen. Per saldo draagt ieder de helft van het negatieve gemeenschappelijk vermogen.

(…)

4.3

De juridische verrekening van inkomen en/of vermogen

(…)

Verrekeningsvordering

Het privé vermogen van [belanghebbende] bedraagt € 132.617. Mevrouw [D] heeft € 182.993 aan privé vermogen. Per saldo bedraagt het vermogen aan het einde van uw huwelijk € 315.610.

Het periodiek verrekenbeding heeft tot gevolg hebben dat [belanghebbende] een vordering op mevrouw [D] heeft ter grootte van € 25.188, te weten de helft van het totale vermogen verminderd met het saldo van het privé vermogen van [belanghebbende] .

(…)

5.2.2

Partneralimentatie na echtscheiding

U bent in onderling overleg overeengekomen wederzijds af te zien van het recht op alimentatie, nu uw beider inkomensposities, naar u aanneemt, voldoende zijn om in uw eigen inkomen te voorzien. De kinderalimentatie zal daarom door [belanghebbende] betaald worden.

Verder hebben wij in deze opzet rekening gehouden met de aflossing in 10 jaar van de overbedelingschuld van circa € 75.000 van mevrouw [D] en de gemiddeld daarover verschuldigde rente.

5.2.3

Inkomsten/uitgaven na echtscheiding

Inkomen/uitgaven

[belanghebbende]

[D]

INKOMSTEN

Bruto inkomen

205.223

77.886

Ontvangen deel onderbedelingsvordering

7.500

Rente onderbedelingsvordering

1.875

Totaal inkomsten

214.598

77.886

UITGAVEN

Betaalde kinderalimentatie

20.880

Betaald deel overbedelingsschuld

7.500

Rente overbedelingsschuld

1.875

Verschuldigde IB

50.512

21.238

Woonlasten

58.500

11.940

Kosten huisvesting

5.000

5.000

Levensonderhoud

25.000

25.000

Premie AOV verzekering

5.429

1.201

Premie lijfrenteverzekering

2.430

2.430

Kosten schadeverzekeringen

5.000

5.000

Autokosten incl. reservering

7.000

Inkomensafhankelijke bijdrage zorgverz. Mevr.

1.643

1.643

Totaal uitgaven

181.394

82.827

Saldo inkomsten en uitgaven

33.204

-/- 4.941

2.7.

Belanghebbende heeft voorts met betrekking tot het antwoord op de vraag of [D] aanspraak kan maken op partneralimentatie advies ingewonnen bij mevrouw [H] , verbonden aan [K] advocaten (hierna: [H] ). [H] is, blijkens de brief van 10 december 2010, bij het verstrekken van dit advies uitgegaan van de volgende inkomensgegevens:

“Voor het vaststellen van deze huwelijksgerelateerde behoefte dient uitgegaan te worden van het netto inkomen één jaar vóór echtscheiding. Deze gegevens heb ik echter niet dus ik kan alleen een berekening maken op de gegevens die de [M] in hun rapport hebben gehanteerd. Daarbij is duidelijk geworden dat aan jouw zijde er een inkomen is van € 205.223,-- bruto per jaar en aan de zijde van mevrouw [D] is het bedrijfsresultaat € 77.886,-- bruto per jaar.”.

2.8.

Uitgaande van deze inkomensgegevens concludeert [H] dat [D] “gebruteerd nog een aanvullende behoefte zou hebben van € 72.000,-- per jaar ofwel € 6.000,-- bruto per maand.” [H] heeft, gelet op deze behoefte, het volgende geadviseerd aan belanghebbende:

“Het voorstel zoals dat door mevrouw [D] is gedaan die [Hof: dien] je serieus in overweging te nemen. Zij stelt namelijk voor dat de € 75.000,-- (netto) die zij nog aan jou zou moeten betalen wordt kwijtgescholden.

Uitgaande van een netto behoefte van afgerond € 2.800,-- koop jij daardoor de partneralimentatie af voor 26 maanden, dat is gelijk aan twee jaar en twee maanden.

Een gebruikelijke afkoop wordt vaak gebaseerd zes jaar.

Indien jij op basis van deze afspraak de partneralimentatie voor nu en in de toekomst definitief kan uitsluiten, dan adviseer ik jou met klem om dit aanbod aan te nemen. Let wel, jouw voorwaarde is dat deze afspraak nu en in de toekomst gebeurt onder een uitsluitingsclausule.

Dit betekent dat mevrouw [D] nu en in de toekomst nooit meer een aanspraak kan doen op partneralimentatie.

Ten slotte, graag zou ik jouw voorstel aan mevrouw [D] vooraf nog even willen zien. Met name omdat je bij deze afkoop in ieder geval erbij moet gaan zetten dat de afspraak dat er over en weer geen alimentatie wordt gevraagd niet wijzigbaar is door een rechterlijke uitspraak.”.

2.9.

Op 10 december 2010 heeft belanghebbende een e-mailbericht met de volgende inhoud aan de heer [G] gestuurd:

“we hebben de laaste [Hof: laatste] knopen doorgehakt:

1. [D] ziet af van partneralimentatie, wij willen vastgelegd dat wij hier voor altijd (wederzijds) van afzien,

2. [belanghebbende] ziet af van de vordering van 75.000 euro,

3. [belanghebbende] neemt de kinderalimentatie voor zijn rekening,

4. Wij verlangen GEEN goodwill van elkaar, bij staken van de praktijken.

(..).”.

2.10.

Het e-mailbericht van 10 december 2010 is niet in cc verzonden aan [D] .

2.11.

Tot de stukken van het geding behoort voorts een e-mailbericht van belanghebbende gericht aan mevrouw [L] van 7 juli 2011, waarvan een afschrift in cc aan [D] is verzonden. Voor zover in hoger beroep relevant, staat in dit e-mailbericht het volgende:

(…) Ik heb gisteren met [D] gesproken over het feit dat de overbedeling (afkoop partneralimentatie) voor mij een aftrekpost zal zijn voor 2011.

Daartoe moet [D] dit opgeven als extra inkomen voor 2011.

[D] begrijpt dit, en is hiermee accoord..

2.12.

Tot de stukken van het geding behoort geen reactie van [D] op dit e-mailbericht.

2.13.

Belanghebbende heeft op 21 januari 2013 aangifte IB/PVV 2011 (hierna: de aangifte) gedaan naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 47.356. In de aangifte heeft belanghebbende een bedrag van € 75.000 als persoonsgebonden aftrek opgenomen wegens afkoop van een alimentatieverplichting jegens [D] .

2.14.

Bij brieven met dagtekening 23 juli 2014, 16 december 2014 en 26 januari 2015 heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht om nadere informatie te verstrekken met betrekking tot de afkoop van de alimentatieverplichting en de in dit kader met [D] gemaakte afspraken.

2.15.

Belanghebbende heeft bij brieven met dagtekening 20 augustus 2014, 1 september 2014, 20 januari 2015 respectievelijk 3 februari 2015 gereageerd op voornoemde verzoeken.

2.16.

Voorts heeft de Inspecteur bij brief met dagtekening 22 augustus 2014 [D] verzocht om informatie te verstrekken met betrekking tot de afspraken die zij met belanghebbende gemaakt heeft ter zake van de verplichting tot het betalen van partneralimentatie. In deze brief staat voorts dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat [D] heeft afgezien van haar recht op partneralimentatie in ruil voor kwijtschelding van de overbedelingsschuld ter hoogte van € 75.000.

2.17.

In reactie op deze brief heeft [D] , bij brief met dagtekening 12 september 2014, de volgende informatie met betrekking tot de inhoud van het echtscheidingsconvenant verstrekt aan de Inspecteur:

“(…) Uit de bepalingen van het convenant volgt niet dat partijen afgezien hebben van partneralimentatie in ruil van het niet voldoen van een gemeenschappelijke schuld en een verrekening schuld door mevrouw [D] . De reden dat partijen over en weer afzien van partneralimentatie is, dat beide partijen zich in staat zijn te voorzien in het eigen levensonderhoud (zie 3.2 echtscheidingsconvenant). Van uitruil is dus geen sprake.”.

2.18.

Voorts heeft [D] bij brief met dagtekening 7 januari 2015, voor zover in hoger beroep relevant, de volgende informatie verstrekt aan de Inspecteur:

“(…) Uit dit convenant blijkt uit artikel 3.3 (onderaan pagina 2) dat over en weer geen alimentatie verschuldigd is. Tevens blijkt uit ten einde bijlage 4 (onderaan pagina 17) dat er naast de verdeling en toedeling verder geen verdeling of verrekening plaats hoeft te vinden.

Uit de jurisprudentie blijkt dat deze overbedelingsvordering/schuld derhalve niet als alimentatie kan worden aangemerkt, onder andere doordat men zoals hierboven aangegeven, over en weer geen alimentatie verschuldigd is.”.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende aan [D] verschuldigde partneralimentatie heeft afgekocht door verrekening met de overbedelingsvordering ter hoogte van € 75.000.

3.2.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend beantwoord moet worden.

De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.3.

Tussen partijen is niet meer in geschil dat de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.

3.4.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.5.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken van de Inspecteur, vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.356 en dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

4.1.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij partneralimentatie die hij verschuldigd is aan [D] heeft afgekocht door verrekening met de overbedelingsvordering.

4.2.

Voor zover relevant luidde de tekst van artikel 6.3, lid 1, van de Wet IB 2001 in het jaar 2011 als volgt:

“1 Onderhoudsverplichtingen zijn: a. periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, tenzij deze worden gedaan aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn; b. afkoopsommen van dergelijke uitkeringen of verstrekkingen die worden gedaan aan de gewezen echtgenoot;

(…)”.

4.3.

Uit de tekst van deze bepaling volgt dat afkoopsommen van periodieke uitkeringen en verstrekkingen aan de gewezen echtgenoot als persoonsgebonden aftrek in aanmerking kunnen komen, mits betreffende periodieke uitkeringen en verstrekkingen rechtstreeks uit het familierecht voortvloeien. Dit houdt in dat alleen de afkoopsommen van in rechte vorderbare familierechtelijke periodieke uitkeringen en verstrekkingen onder de toepassing van artikel 6.3, lid 1, onderdeel b, van de Wet IB 2001 kunnen vallen (Kamerstukken II 1983/84, 16 797, nr. 6, p. 32).

4.4.

Naar het oordeel van het Hof brengt een redelijke verdeling van de bewijslast met zich mee dat belanghebbende de feiten en omstandigheden aannemelijk dient te maken waaruit volgt dat hij, op grond van een rechterlijke uitspraak of het echtscheidingsconvenant, aan [D] verschuldigde partneralimentatie heeft afgekocht door verrekening met de overbedelingsvordering.

4.5.

Het Hof stelt, in dit kader, voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat [D] , door hetgeen zij en belanghebbende in het echtscheidingsconvenant zijn overeengekomen, overbedeeld is voor een bedrag ter hoogte van € 75.000.

4.6.

Het Hof acht voorts aannemelijk dat belanghebbende deze overbedelingsvordering op zijn ex-echtgenote heeft prijsgegeven. Het Hof legt aan dit oordeel mede ten grondslag dat gesteld nog gebleken is dat de overbedelingsvordering geheel of gedeeltelijk door belanghebbende wordt geïnd.

4.7.

Belanghebbende heeft, naar het oordeel van het Hof, echter onvoldoende aangevoerd om aannemelijk te maken dat hij deze vordering heeft prijsgegeven in ruil voor het afzien door [D] van een rechtstreeks uit het familierecht aan haar toekomend recht op partneralimentatie.

4.8.

Het Hof legt aan dit oordeel mede ten grondslag dat in het echtscheidingsconvenant het volgende is opgenomen:

“3.2. Partijen achten zich beiden in staat te voorzien in het eigen levensonderhoud. Hierbij baseren partijen zich op een bruto inkomen van de man uit werk en woning van ongeveer € 205.000 per jaar en op een bruto inkomen van de vrouw uit werk en woning van ongeveer € 78.000 bruto per jaar.

3.3.

Partijen zien over en weer af van partneralimentatie.”.

4.9.

In het echtscheidingsconvenant is expliciet opgenomen dat [D] zich in staat acht om zelf in haar levensonderhoud te voorzien. Voorts is in dat convenant opgenomen dat partijen over en weer afzien van het recht op partneralimentatie. Uit de tekst van het echtscheidingsconvenant volgt dat [D] , al dan niet rekening houdende met een aflossing van de overbedelingsschuld in 10 jaar, voldoende inkomsten heeft om in haar eigen levensonderhoud te voorzien en om deze reden geen aanspraak kan maken op een uitkering tot levensonderhoud in de zin van artikel 1:157 van het Burgerlijk Wetboek. Ten slotte is in het echtscheidingsconvenant, onder 4.4, bepaald dat de partijen bij dat convenant uitdrukkelijk verklaren dat indien er een verschil wordt geconstateerd in de toedeling van het gezamenlijke vermogen en hetgeen waartoe eenieder juridisch gerechtigd is, dit verschil voortkomt uit de dwingende morele verplichting de ander goed verzorgd achter te laten. Dit een en ander, zowel afzonderlijk als in onderling verband beschouwd, biedt geen enkele steun aan de door belanghebbende verdedigde opvatting, inhoudende dat het prijsgeven van de uit de overbedeling van [D] voortvloeiende vordering stond tegenover een afzien door [D] van een haar toekomend recht op alimentatie.

4.10.

Belanghebbende maakt gelet daarop, alsook tegenover de ontkenning door [D] bij brieven met dagtekening 12 september 2014 en 7 januari 2015 (zie onderdelen 2.17 en 2.18), niet aannemelijk dat [D] , in tegenstelling tot hetgeen uit de duidelijke tekst van het echtscheidingsconvenant volgt, wel aanspraak kon maken op partneralimentatie, maar van deze aanspraak heeft afgezien in ruil voor het kwijtschelden van de overbedelingsvordering. Het Hof legt aan dit oordeel mede ten grondslag dat ook in het rapport, ondanks constatering van een inkomenstekort van [D] na echtscheiding van € 4.941, is opgenomen dat belanghebbende en [D] , in onderling overleg, overeengekomen zijn wederzijds af te zien van het recht op alimentatie aangezien hun inkomensposities voldoende zijn om in hun “eigen inkomen te voorzien” (zie onderdeel 2.6). Daarbij is rekening gehouden met aflossing door [D] van de overbedelingsschuld.

4.11.

Aan dit oordeel doet niet af dat [H] bij brief met dagtekening 10 december 2010 berekend heeft dat [D] aanspraak kan maken op partneralimentatie (zie onderdeel 2.8), dit reeds vanwege het feit dat [H] te kennen heeft gegeven bij het opstellen van haar advies niet te beschikken over de relevante inkomensgegevens van belanghebbende en [D] (zie onderdeel 2.7). Ook overigens kan de aannemelijkheid van de door belanghebbende gestelde uitruil van overbedeling en recht op alimentatie niet uit dat bericht van [H] volgen, aangezien het in onvoldoende mate wordt ondersteund door de gedingstukken overigens, in het bijzonder het echtscheidingsconvenant en het rapport.

Slotsom

4.12.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.13.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.14.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 12 oktober 2017 door P.C. van der Vegt, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van J.M.A. Beckers, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Info